Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geneesheer - (arts, dokter)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geneesheer zn. ‘arts, dokter’
Vnnl. Johannes D., Geneesheer [1657; WNT trouw I]; nnl. zoo ik, een ervaren en geleerd geneesheer zijnde, in een ziekenhuis kwam, ik zou ... [1725; WNT verscheidenheid], de eene geneesheer spreekt van bronchitis, de ander van beginnende tuberculose [1926; WNT Aanv. bronchitis]. Vanaf de vroege 17e eeuw werd de term geneesmeester gebruikt [WNT], die toen gezien werd als beter Nederlands dan het oudere meester van medicinen [1486; MNW meester] of medicijnmeester [1548; Servilius]. Veel eerder bestond al de term genezer, al mnl. inde geneser van allen vongeluk ‘en hij die verlost van alle ongeluk’ [1270-90; CG II, Moraalb.].
Samenstelling uit de stam van → genezen en → heer.
Tegenwoordig is geneesheer in het BN vrijwel vervangen door → dokter, in het NN door → arts, welke laatste ook de officiële, beschermde titel van een afgestudeerde in de geneeskunde is. In Suriname was geneesheer de titel van een afgestudeerde van de in 1882 gestichte Geneeskundige School in Paramaribo, een medische hogeschool, die in 1969 is vervangen door de Medische Faculteit; tot 1969 kon men alleen aan een Nederlandse medische faculteit de (hogere) titel arts krijgen. Ook de afgestudeerden van de School tot Opleiding van Inlandsche Artsen in Batavia, opgericht in 1902, kregen de titel geneesheer of inlandsch arts; afgestudeerden van de in 1856 opgerichte voorganger van deze opleiding, de Dokter Jawa School, heetten Inlandsch genees- en heelkundige.
geneeskunde zn. ‘wetenschap die zich richt op de oorzaken en het genezen van ziekten’. Vnnl. gheneeskunde [1650; Hofman, titelpagina deel 2]. Samenstelling uit de stam van → genezen en → kunde ‘geleerdheid’. Lange tijd werd in dezelfde betekenis de term geneeskunst gebruikt: vnnl. gheneeskunde, gheneeskonst [1658; Meijer, als vertaling van het kunstwoord medicina], het werckelijcke gebruyck der Genees-kunst [1666; WNT werkelijk]; nnl. geneeskunst, heelkunst [1724; WNT verborgen I]. Geneeskunst is een letterlijke vertaling van Latijn ars medica ‘geneeskunst’, zie → artiest ‘kunstenaar’ en → medicijn ‘geneesmiddel’; zie ook → kunst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

genees’heer (de, -heren), 1. (verouderend) dokter opgeleid aan de voormalige Geneeskundige School* te Paramaribo, dus met een graad, maar geen academische. In 1935 was zij [Sophie Redmond] ‘dokteres’, zoals het volk haar noemde. Zij vestigde zich als particulier geneesheer in Paramaribo (Doelwijt 1972a: 111). - 2. (officieel in onbruik sedert 1973) dokter in dienst van de overheid (vooral in samenst.: z.a.). - Etym.: In AN veroud. syn. van ‘dokter’ i.h.a. - Samenst. van 2: districtsgeneesheer*, gouvernementsgeneesheer*, stadsgeneesheer*. Zie ook: artsen*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geneesheer ‘arts, geneeskundige’ -> Negerhollands geneesman ‘arts, geneeskundige’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut