Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gene - (aanwijzend voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gene vnw. ‘die, de andere’
Mnl. here sprac gene te hant ‘heer, sprak die (man) onmiddellijk’ [1250; CG II, Trist.], in gene wout ‘in ginds bos’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], groot volc quam uter stat gheent grote wonder te siene an ‘veel volk kwam uit de stad om dat grote wonder te bekijken’ [1300-25; MNW-R], in gene side den bossche ‘aan de andere kant van het bos’ [1300-50; MNW-R]; nnl. vooral nog in de verbindingen deze en gene, deze of gene, bijv. op deze of gene plaatzen [1719; WNT zee I], deze of gene zijde van het gewelf [1720; WNT wederstaan], in deze en gene subtile wysen ‘op allerlei subtiele manieren’ [1724; WNT wild II], de overpeinzingen van dezen en genen [1919; WNT resonantie]; en in de uitdrukking aan geze zijde, verwijzend naar de dood.
De diverse Germaanse vormen gaan terug op verschillende vormen van een Proto-Germaans aanwijzend voornaamwoord: os. gendra ‘aan deze kant’; nhd. jener ‘die daar’, jenseits ‘aan de overzijde’; oe. giend ‘daar(heen)’, geondan ‘aan de andere kant’. Nnl. ginds en ginder gaan terug op pgm. *jen-. Ofri. jonda ‘naast’, oe. geonder, geond ‘daar(heen)’ (ne. yonder ‘ginds’, beyond ‘aan de andere zijde van’) gaan terug op pgm.*jan-. Got. jainar ‘daar’, jainþro ‘daarvandaan’, jaindre ‘daarheen’, jaind ‘daarheen’ gaan terug op pgm.*jain-/jen-. Zie voor de onzijdige Middelnederlandse vorm geent, gint ook → ginder, ginds.
Verdere etymologie onduidelijk. Wrsch. gaan de Germaanse vormen terug op een combinatie van het aanwijzend vnw. pie. *h1e (of een verbogen variant) ‘die, de’ en/of het betrekkelijk vnw. pie. *io- en het partikel h2en ‘daar’ (Litouws anas ‘die’, Oudkerkslavisch onŭ ‘die’) of een nevenvorm daarvan (zoals in Grieks keĩnos < pie. *ḱe + eno-). Voor pgm. *jen(a)- kan men denken aan pie. *h1i-h1e-no- en voor pgm. *jain- aan pie. *io-h1i-no-. De precieze verhoudingen zijn volstrekt onduidelijk en speculatief, maar zeker is wel dat het stapelen van zulke voornaamwoorden een veel voorkomend verschijnsel is in de Europese talen, zie voor het Nederlands bijv. hetgeen, datgene en hieronder d(i)e-gene.
d(i)egene vnw. ‘hij, zij (als aankondiging)’. Mnl. degene ‘hij, deze’, aankondigend, in dat die ghene die hachtene was ... ‘dat degene die in hechtenis was genomen ...’ [1237; CG I, 30], deghene dar hi up claget ‘degenen tegen wie hij een aanklacht indient’ [1237; CG I, 35], ook wel terugverwijzend, in ende dan degene sal werden gehouden int forfait uan .lx. lib ‘en deze dan een boete verschuldigd zal zijn van 60 pond’ [1237; CG I, 31], .iij. man of me vechten ieghen een; ende de ghene om hem te verwerne ... ‘drie man of meer vechten tegen één, en die ene, om zich te verweren,...’ [1254; CG I, 53]; deze terugverwijzende functie voor diegene nog steeds in het vnnl. in terwijle de gene noch verre is [1637; Statenbijbel, Lucas 14:32] en opnieuw steeds frequenter in het nnl. in Er is iemand met een hond in de zaal. Wil diegene de zaal verlaten? [1985; Fontein]. Samenstelling met het aanwijzend voornaamwoord → d(i)e.
Lit.: A.M. Fontein & A. Pescher-ter Meer (1985), Nederlandse Grammatica voor anderstaligen, Utrecht, 152

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gene* [gindse] {gene, gone, geune 1237} met g < j, vgl. oudhoogduits jener, gener, oudfries jena, gotisch jains, van een i.-e. stam die ook ten grondslag ligt aan pers. vnw. hoogduits er, gotisch is, latijn is [hij].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gene voornw. mnl. gēne, gōne, guene, geune, met een g < j, vgl. ohd. jenēr, ofri. jena, gena, oe. geonre (3. nv. v. enk. ne. yon) naast got. jains. — Met een opmerkelijke j-voorslag van de pron. stam *eno-, ono- vgl. oi. instr. anēna, anāya ‘aan deze’, gr. énē ‘overmorgen’, (e)keīnos ‘gene’, lat. enim ‘voorwaar’, later ‘want, namelijk’, osl. onŭ ‘gene’, lit. añs, anàs ‘gene’ (IEW 319-20).

De voorslag van het germ. verklaart men wel door het relativum *i̭o, maar de functie van dit pron. is niet doorzichtig. — Opmerkelijk is de uitspraak met ȫ die wel onder invloed van de omringende consonanten zal staan. Er zijn meer voorbeelden, sommige ook in de algemene taal opgenomen als leunen, reus, andere alleen dial. zoals speulen veul, zeuven. Volgens van Ginneken, Taaltuin 2, 1933-4, 113 zou hiervoor het kerngebied Zuid-Holland zijn, maar in het Oosten van ons land zijn zij, blijkens het aansluitende nd., ook ontstaan (vHaeringen Suppl. 56).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] gene. Got. is, ohd. ër kan ook met runisch ëR, on. ër zelden “hij”, gew. relatief-partikel van den idg. stam *e- komen en dan met ier. ed “het”, lat. ec-ce “ziedaar”, umbr. eř-ek, ers-e “id”, oi. ad-áḥ “illud” verwant zijn. Zie nog bij of II.

gene vnw. Mnl. ghȫne wijst op een zwakken nominatief * ʒenō̆ of *ʒinō̆, wellicht ontstond de ȫ ook in andere casus; in een deel van ’t paradigma ontstond ē, waarop de vocaal van mnl. ghēne teruggaat. De ʒ is uit j ontstaan. Wsch. moeten wij van *jen- en niet *jin- uitgaan, aangezien er ablautende vormen bestaan met *jan- (vgl. ginds). Vgl. ohd. jėnêr (wsch. uit *jënêr; nhd. jener), ofri. jena, gena, ags. geonre dat. v. enk. (eng. yon). ’t Os. kent alleen ’t semasiologisch opvallende gendra “citerior”. In ieder geval staat deze pronominaalstam in betrekking tot got. jains, mhd. geiner “ille” en den idg. pronominaalstam *i-, *eje-, waarvan o.a. ohd. ër (nhd. er), got. is, lat. is “hij”, kret. ín, autóv, autḗn, obg. -jĭ (encl.) “hem”, jego “van hem”, lit. jìs “hij”, oi. ayám “deze”, misschien ier. ed “het”. Zie nog het. Obg. inǔ “unus, alius” wordt wel met got. jains geïdentificeerd (niet wsch.; vgl. een). De verklaring van de germ. stammen *jen-, *jan- en van mhd. einer “gene” uit oergerm. *jaina- door verschillende dissimileeringen is al te hypothetisch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gene. De z.g. o-umlaut (zie ook bij leunen) is te onzeker, om ter verklaring der ȫ van ghȫne te dienen. Waarschijnlijker zijn deze rondingsverschijnselen aan invloed van aangrenzende consonanten toe te schrijven. Van Ginneken Taaltuin 2, 113 vlgg. meent dat deze in Z.-Holland als kerngebied opgekomen ronding, die o.a. in leunen Suppl., reus Suppl., spelen Suppl., veel Suppl., zeven Suppl. voorkomt, zich van daaruit heeft verbreid; dit kan voor sommige woorden juist zijn, maar voor andere is, vooral in het oosten waar het Ndd. met geronde vocalen aansluit, zulk een verloop niet bewezen. Bij got. is, ohd. ër behoort de on. relatiefpartikel ër; alle drie kunnen bij de idg. pronominale stam *e- horen, waarvan ook ier. ed ‘het’, lat. ed in ecce ‘ziedaar’ (vgl. v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gene bijv., Wvl. gunne, Mnl. ghene, gone, Os. gen- + Ohd. jenêr (Mhd. id., Nhd. jener), Ags. geon (Eng. yon), Ofri. jena, On. enn, Go. jains; het On. synon. hinn (Zw. en De. hin) dat een afl. is van den wortel van hij, wijst er op dat gene een afl. is van den wortel van *iz (z. het).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gene ‘aanwijzend voornaamwoord’ -> Fries gene ‘aanwijzend voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gene* aanwijzend voornaamwoord 1237 [CG I1, 30]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut