Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

genade - (gunst, vergiffenis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

genade zn. ‘gunst, vergiffenis’
Onl. ginātha, gināthī ‘gunst, goedertierenheid’: uuanda gemikilōt ist untes te himelon ginātha thīn ‘want groot tot aan de hemelen reikt uw goedertierenheid’, in menden sal an morgen gināthī þīnro ‘en roemen zal (ik) des morgens van uw goedertierenheid’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], thie genatha, the thu mer hauost geheyzan ‘de gunst, de troost, die gij mij hebt toegezegd’ [ca. 1100; Will.]; mnl. godis genade ‘Gods gunst, barmhartigheid, vergeving’ [1200; CG II, Servas], binnen dien deghenaden uan den hus ‘met instemming, met steun van het klooster’ [1230; CG I, 14], genade ‘verzoening, vergiffenis’ [1240; Bern.], ‘rust, behaaglijkheid’ in si gingen slapen met genaden ‘zij gingen lekker en behaaglijk slapen’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.].
Os. ginātha, nātha (waaruit door ontlening on. náð, nzw. nåd), mnd. gnade, genade; ohd. gināda, gnāda (nhd. Gnade); ofri. genāthe, nāthe, nēthe; alle met betekenissen ‘gunst, vergiffenis’ en ‘rust’; daarnaast met andere ablaut got. niþan ‘helpen, ondersteunen’.
Verdere etymologie onzeker. Er wordt wel verband gelegd met een Indo-Europese wortel met de betekenis ‘steunen’, maar dit is onzeker; indien wel, dan verwant met: Sanskrit nātha ‘hulp’, nāthate ‘hij smeekt om hulp’ en Grieks oninánai ‘van nut zijn’ (< *onā-); < pie. *h3neh2- ‘steunen’ (IEW 754).
Men neemt aan dat de oorspr. betekenis van het Germaanse woord ‘rust’ is, zoals bijv. ook blijkt uit Middelhoogduits die sunne gie zu gnaden ‘de zon neigt ter ruste’, een betekenis die in het Middelnederlands overigens heel zeldzaam is; daaruit kunnen dan betekenissen zijn ontstaan als ‘wat aangenaam is’, ‘wat een ander welwillend gezind is’ en dus ‘wat goedgunstig is; gunst’. Ierse missionarissen zouden in de Germaanse gebieden rond 700 het woord genade gebruikt hebben om het Latijnse kerkwoord gratia ‘genade’ te vertalen (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

genade* [gratie, gunst] {oudnederlands genātha 901-1000, middelnederlands genade [rust, gunst, hulp, ootmoed, dank]} oudsaksisch (gi)nātha, oudhoogduits g(i)nāda, oudfries (ge)nathe, mogelijk bij gotisch niþan [helpen]; de etymologie is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

genade znw. v., mnl. ghenâde ‘rust, gemak, genade, hulp, willekeur, ootmoed, dankbaarheid’, onfrank. ginātha v. en gināthi, os. nātha, ginātha, ohd. gināda, gnāda, ofri. nāthe, genāthe, nēthe (on. nāð is een ontl. aan het nd.). Daarnaast staat met ablaut got. niþan ‘helpen’.

Etymologie is onzeker. De verbinding met oi. nātha ‘hulp’, nāthate ‘smeekt’, gr. onínēmi ‘van nut zijn’ is onzeker (IEW 754 noemt hierbij niet het germ. woord). — Men neemt aan, dat de oorspr. bet. van het germ. woord zou zijn ‘zich ter ruste neigen’ (mhd. die sunne gie ze gnāden) en dan ook ‘met genegenheid zich neigen tot’. De ierse missionarissen zouden dan omstr. 700 dit woord gebruikt hebben om daarmee het kerkwoord gratia weer te geven, terwijl de Gotische missie het woord anst en de Frankische missie huldi kozen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

genade znw., mnl. ghenâde v. “rust, gemak, genade, goedgunstigheid, hulp, willekeur, ootmoed, dankbaarheid”. In dgl. bett. (ook de bet. “rust” is zeer verbreid) onfr. ginâtha v. (waarnaast ginâthi o.), ohd. ginâda, gnâda (nhd. gnade), os. nâtha, ginâtha, ofri. nâthe, genâthe, nêthe, on. nâð v. Men brengt dit woord benevens got. niþan “ondersteunen” wel bij een idg. wortel neth- “steunen”, die ook in andere talen woorden voor “hulp” e.dgl. heeft opgeleverd. Buiten ’t Germ. vgl. ier. in-neuth, ar-neut sa “ik steun, wacht af”, oi. nâthá- o. “toevlucht, hulp”, m. “beschermer, heerscher”, nâthitá- “in nood”, nâthate “hij zoekt hulp”, waarnaast oi. nâdh-, o.a. in nā́dhamâna- “hulp zoekend, smeekend”, nâdhitá- “in nood”. Deze etymologie van genade is onzeker, andere vermoedens zijn nog minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

genade. Van de toch al onzekere verwanten buiten het Germ. moeten de kelt. woorden afvallen: vgl. WP. II, 327.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

genade v., Mnl. ghenade, Onfra. en Os. ginâtha + Ohd. ginâda (Mhd. genâde, Nhd. gnade), Ofri. (ge)náthe, On. náđ (Zw. nåd, De. naad), misschien met ablaut bij Go. niþan = ondersteunen + Skr. nātham = hulp, = nāthas- beschermer, nāthate = hij zoekt hulp, Oier. in-neuth = ik ondersteun.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

genade ‘goedertierenheid’ (bet. van Latijn gratia); ‘vergevensgezindheid’ (bet. van Frans merci)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Genade, goddelijke gunst of gave. Zie ook Gods gratie onder God.
Genade Gods, Gods genade, Gods goedgunstige vergeving van de zonden van de mens.

Genade 'goedgunstigheid' in het algemeen is ook buiten de bijbel bekend. Niet zelden wordt echter specifiek ook, al of niet ironisch, over de goddelijke genade gesproken als een gave of gunst 'van boven', in de algemene en zeker in de literaire taal. Binnen de christelijke theologie zijn het woord en het begrip 'genade' van cruciaal belang, onder andere wegens de onderscheiden opvattingen van rooms-katholieke en reformatorische kerken hierover.

Rijmbijbel (1271), v. 2612-2616. Die riviere dats die werelt. / Daer die stroem in kerd ende duerelt. / Ende emmermeer es onghestade. / Ne dade dat cruce ende gods ghenade. / Nie[m]e[n]e ne mochte die werelt liden. (De rivier betekent de wereld, waar de stroom in draait en wendt, en die altijd veranderlijk is. Zonder het kruis en Gods genade kon niemand door de wereld komen.)
Het [de gave om iets te kunnen maken] is een genade die niet afgedwongen kan worden door ontzegging van eten en liefde. Maar moet men dan niet leeg zijn van alles -- zoals de auteurs van m$n opklapbed zeggen -- om die genadegift te ontvangen? (F.B. Hotz, Het werk, 1997 (Proefspel, 1980), dl. 1, p. 578)
Ze lieten hem dan maar en vertrouwden gelijk ze het altijd hadden gedaan: op gods genade. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 128)

Genadekruid, plant uit de helmkruidfamilie, een vrij zeldzame, op heide en vochtig terrein groeiende plant; galkruid (Gratiola officinalis L.).

De naam is waarschijnlijk vertaald uit het Latijn Gratia Dei en oude volksnamen zijn dan ook onder andere godsgenade en godsgratie. De verklaring zou gelegen kunnen zijn in een legende waarin het kruid de duivel verjaagt, of in de krachtige geneeskrachtige werking tegen koorts en als zuiveringsmiddel.

In Juni, Juli en Augustus bloeit bij ons, hoewel vrij zeldzaam, op moerassigen grond het genadekruid. (M.C. Blöte-Obbes, De geurende kruidhof, 1946, p. 237)

Genade of geen genade vinden in iemands ogen, de goedkeuring van die persoon (niet) kunnen wegdragen. Ook alleen:
(Geen) genade vinden, niet goedgekeurd of geaccepteerd worden.

Regelmatig wordt in het Oude Testament in deze termen verwoord dat iemand in de gunst van een zeker andere persoon staat, of hem andersom juist niet welgevallig is. Zoals in Numeri 11:11, waarin Mozes tot God spreekt: 'Waarom hebt Gij uw knecht slecht behandeld en waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de last van dit gehele volk op mij legt?' (NGB-vertaling) Nu zijn het meestal zaken (situaties, beslissingen, instellingen) waarop we de uitdrukking toepassen, en dan doorgaans in de negatieve variant. De NBV kent de formulering genade vinden niet meer.

Statenvertaling (1637), Ester 5:8. Indien ick genade gevonden hebbe in de oogen des Conincks [...], so kome de Coninck [...] tot de maeltijt die ick hem bereyden sal.
En de bemesting van de tuin had zelfs in de ogen van boer Braamskamp genade kunnen vinden. (Meppeler Courant, nov. 1993)
Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA): Ik verwijs hierbij naar het debatje met de heer Van Hoof. Ik heb begrepen dat de methode die gevolgd is bij de behandeling van de nabestaandenwet geen genade kon vinden in de ogen van de heer Van Middelkoop. (Tweede Kamer, nov. 1995)
Wat hij zoekt en verwerpt vindt géén genade in de ogen van de maatschappij. Hij hoort tot een nieuwe minderheid die om erkenning schrééuwt. Hij is ... een a-sexueel. (D. Frenkel Frank, De kleinste hond ter wereld en andere eigentijdse ongemakken, 1980, p. 133)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

genade. In het Middelnederlands noteren wij reeds de eedformule bider liever gods ghenaden ‘bij de genade van Onze-Lieve-Heer’. Deze formule ontwikkelde zich tot krachtterm en uitroep, net zoals Gods heilige genade. In de verbinding grote genade is genade een eufemistisch substituut voor God. Wij kennen nog goeie genade als uitroep van verbazing, verwondering enz. In De Seven Hooft-sonden [1682] van G. Ogier komt de bastaardvloek by gans felten genaey voor. De letterlijke betekenis moet zoiets geweest zijn als ‘bij de genade van God en de heilige Velten’. Verder niet aangetroffen. → goedheid, onde.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Genade, van den Idg. wt. neth = zich neigen, Skr. natha = hulp, toevlucht; Got., nithan = helpen, ondersteunen. Genade is dus eigenlijk: „geneigdheid”, genegenheid, hulp. In ’t Mnl. was genade ook ootmoed, dus „geneigd tot onderworpenheid”. Vgl.: „Ic come God te ghenade.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

genade ‘gratie, gunst’ -> Frans dialect (dimander) guinade ‘genade (vragen)’; Negerhollands genade, genad, gnad, gnade ‘gratie, gunst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

genade* gratie, gunst 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut