Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gemet - (oude vlaktemaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gemet zn. ‘oude vlaktemaat’
Onl. in acht plaatsnamen als Tuagemet ‘Twee Gemeten’, Driegemed ‘Drie Gemeten’, Tuelgemet ‘Twaalf Gemeten’ (alle op Walcheren, onbekende ligging) [alle 1181-1210; Künzel]; mnl. gemet en ghemete ‘vlaktemaat, grondmaat’ [resp. 1247 en 1249; Slicher van Bath], ook gebruikt voor ‘maat’ in het algemeen, in men heeft van wine ende van mede een gemet, dat heet een derdendeel ‘voor wijn en mede heeft men een maat die heet een derdedeel’ [ca. 1375; MNW], en als lengtemaat C screde ende XXV over een ghemet ‘125 passen in een gemet’ [ca. 1375; MNW]. Ook zonder het voorvoegsel ge-, met en mete, bijv. viere ende vichtich mete ‘44 metten/meten’ [1277; MNW met].
Oude afleiding, met het voorvoegsel → ge- (sub c), van → meten in de betekenis ‘een afmeting hebben’. Oorspr. had het werkwoord een korte klinker.
Os. gemet; ohd. gamez; oe. gemet; alle met de betekenis ‘maat’ in het algemeen.
Een gemet was een maat in het algemeen, die later nog uitsluitend werd gebruikt als landmaat, uiteindelijk ter grootte van een halve morgen (zie → morgen 2). Een gemet had vroeger verschillende afmetingen (WNT). Hetzelfde gold voor de in sommige streken gebruikte maten met en mete. De gemet is nog bekend in de naam van het Zuid-Hollandse eilandje in het Haringvliet Tien Gemeten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gemet* [vlaktemaat] {1260} van meten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gemet znw. o. ‘oude vlaktemaat’, een afl. van meten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gemet o., Mnl. ghemet, Os. gimet + Ohd. gimeʒ, Ags. gemet = maat, van den præsensstam van meten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

gemet landmaat van wisselende grootte, ongeveer tussen 3300 en 4479 vierkante meter (Vlaanderen, ten noordoosten van Leie en Schelde, Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Antwerpen). Afl. bij meten. De oorspr. betekenis was in het algemeen: ‘maat’. Dat was ook de betekenis van os. en oeng. en soms nog van mnl. gemet.
WNT IV 1422-1423, WBD 207-208, Mnl Wb II 1355, WVD I 1, 98.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

gemet 'vlaktemaat'
Onl. gemet, mnl. gemet, ghemete, os. gemet, ohd. gamez, oe. gemet alle 'maat', een afleiding van meten, ter aanduiding van zowel een inhouds-, lengte- als vlaktemaat. In het Middelnederlands specialiseerde de betekenis zich tot een vlaktemaat ter grootte van een halve morgen, ca. 0,4 hectare. Vooral (nog) in Vlaanderen, Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden gebruikt.
Oudste attestaties als toponiem: Tuagemet 'twee gemeten', Drigemed 'drie gemeten', Virdehalf gemet 'drie en een half gemeten', Virgemet 'vier gemeten', Vivegemet 'vijf gemeten', Siuengemet 'zeven gemeten', Tiggmet en Tingemet 'tien gemeten', Tuelgemet 'twaalf gemeten', alle 1181-1210 kopie, ligging onbekend, op Walcheren1.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 352, 118, 369, 325, 348, 349, 353.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gemet (= ± ⅓ H.A.; vgl.: ’t eiland Tien Gemeten), komt van ’t werkw. meten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gemet* vlaktemaat 1181-1210 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal