Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gemeen - (gemeenschappelijk; onfatsoenlijk; laag, vals)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gemeen bn. ‘gemeenschappelijk; onfatsoenlijk; laag, vals’
Mnl. gemeine ‘gezamenlijk, gemeenschappelijk; openbaar; algemeen, gewoon’ [1240; Bern.] zoals in ombe de gemene nutschepe der gonre die nu sin en die hier na wesen sullen ‘voor het gemeenschappelijk nut van degenen die nu leven en die hierna leven zullen’ [1236; CG I, 21], na gemeynen loep der nature ‘volgens de gewone gang van de natuur’ [1276-1300; CG II, Kerst.], tghemene volc ‘het gewone volk’ [1285; CG II, Rijmb.]; zie voor deze oorspr. betekenis nog → algemeen en de uitdrukking iets gemeen hebben: vnnl. hebben ... eenige deughden met malkanderen gemeen [1620; WNT]. Negatieve betekenis pas vanaf de 18e eeuw: nnl. gemeen ‘(van mensen en hun handelingen) laag, slecht, verachtelijk’, in 't gemeenste slag ‘het slechtste soort (mensen)’ [1776; WNT], ‘(van zaken) zonder waarde, slecht’, in de gemeenste cigaar van drie om een cent [1866; WNT]. Eerder al als werkwoord onl. *gemeinen ‘algemeen maken’, namelijk in de conjunctief gemeini ‘dat ik (het) openbaar maak’ [10e eeuw; W.Ps.].
Afleiding, met het voorvoegsel → ge-, van een Germaans woord dat ‘last, plicht, schatplicht’ betekende, dus letterlijk ‘samen gedragen, gemeenschappelijk opgebracht’, zoals ook het geval is bij het verwante Latijn commūnis ‘gemeenschappelijk, gewoon, deelachtig’ (zie → commune), gevormd uit het voorvoegsel → com en mūnus ‘ambt, tribuut, geschenk’. Uit de betekenis ‘gemeenschappelijk’ ontwikkelde zich de betekenis ‘niet uitzonderlijk, gewoon, alledaags’ en daaruit ontwikkelde zich als gevolg van minachting voor lager geplaatsten en voor het mindere de betekenissen ‘laag-bij-de-gronds’ en ‘laag, slecht, gemeen’; in andere talen is dit ook gebeurd.
Os. gimēni ‘gemeenschappelijk, algemeen’ (mnd. gemēn); ohd. gimeini ‘id.’ (nhd. gemein ‘algemeen, gewoon, laag); ofri. (ge)mēne ’gemeenschappelijk, algemeen‘ (nfri. gemien ’gemeenschappelijk, vriendelijk; minderwaardig); oe. gemǣne ‘gemeenschappelijk, gewoon, slecht, vals’ (ne. mean ‘gering, vals; krenterig’); nzw. (< mnd.) gemen ‘gewoon’; got. gamains ‘gemeenschappelijk; smerig’; < pgm. *ga-mainiz ‘gemeenschappelijk’.
Pgm. *-mainiz is verwant met: Latijn mūnus (zie boven); Sanskrit mayate ‘hij ruilt’; Litouws mainas ‘ruil(handel)’, Oudkerkslavisch měna ‘ruil’ (Russisch ména); Oudiers mōin, māin ‘kostbaarheid’; < pie.*moinis, bij de wortel *(h2)mei- (IEW 710).
In het Engels heeft zich een vergelijkbare betekenisontwikkeling voorgedaan bij mean ‘vals; krenterig’ en ook bij het verwante woord common, dat naast ‘gemeenschappelijk’ ook ‘vulgair’ betekent. Een soortgelijke ontwikkeling heeft zich voorgedaan bij → ordinair en → slecht.
gemenerik zn. ‘gemeen persoon’. Nnl. gemenerik ‘id.’ [1961; van Dale]. Afgeleid, met het achtervoegsel → -erik, van gemeen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gemeen* [gemeenschappelijk, vals] {oudnederlands gemeini 901-1000, middelnederlands geme(i)ne [gemeenschappelijk, in het algemeen, gezamenlijk]; de betekenis ‘vals’ 1776} oudsaksisch gimeni, oudhoogduits gimeini, oudengels gemæne (engels mean), gotisch gamains; buiten het germ. latijn communis; de betekenis ontwikkelde zich van ‘algemeen’ over ‘gewoon’ tot ‘zonder waarde’ en ‘slecht’; vgl. wat dat betreft ook die van het woord slecht.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gemeen

De oorspronkelijke betekenis van dit zeer oude woord is: gemeenschappelijk. In die zin zeggen wij nu nog: gemene zaak met iemand maken, de gemene haard enz. Daaruit vloeit voort: niet bijzonder, gewoon, alledaags. Zo spreekt men van de gemene man, een gemeen soldaat. Uit de betekenis: alledaags ontstond die van: waardeloos, gering van hoedanigheid, slecht in z’n soort. Zo kan men spreken van: gemeen weer. En dan zijn wij al heel dicht bij de meestal aan het woord gehechte betekenis: laag, verachtelijk: een gemene kerel is een schurk, een schelm. En het gemeen is het grauw.

Het merkwaardige is dat gemeen in al zijn verschillende betekenissen nog in de spreektaal wordt gebruikt. In verreweg de meeste gevallen raakt een woord dat een nieuwe betekenis krijgt, de oude kwijt. Dat is hier niet het geval.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gemeen bnw., mnl. ghemêne, ghemeen, ghemein(e) ‘gemeenschappelijk, algemeen, gewoon, deelachtig, vriendelijk’, onfrank. gemeini ‘gemeenschap hebbend’, os. gimēni, ohd. gimeini, ofri. mēne, oe. gemæne, ‘gemeenschappelijk, algemeen’, got. gamains ook ‘onrein’. — Het woord stemt geheel met lat. commūnis naar vorm en betekenis overeen, zie verder lat. mūnus ‘ambt, tribuut, geschenk’, osk. múinikad ‘communi’, oiers mōin, māin ‘kostbaarheid, schat’, lit. maĩnas, lett. mains ‘ruil’, alle n-afl. van de idg. wt. *mei ‘ruilen; gemeenschappelijk’ (IEW 710). Indien men vergelijkt lat. moenia ‘muren’, munīre ‘bevestigen’, blijkt het uitgangspunt weer ‘omheiding, kring der gemeenschap’ te zijn. — Zie nog: meineed en menen.

Nl. gemeen heeft evenals ne. mean de bet. in pejoratieve zin veranderd. Daarvoor is ook slecht een voorbeeld, dat van ‘effen’ de tegenwoordige betekenis kreeg. Wat ‘gewoon, algemeen’ is, krijgt licht de betekenis van ‘waardeloos’ en kan dan tot ‘laaghartig’ voeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gemeen bnw., mnl. ghemêne, ghemeen, ghemein(e) “gemeenschappelijk, algemeen, gewoon, in betrekking staande tot, deelachtig, vriendelijk”, nog niet “slecht”. = onfr. gemeini “gemeenschap hebbend”, ohd. gimeini “gemeenschappelijk, algemeen” (nhd. gemein), os. gimêni, ofri. mêne, ags. gemæ̂ne (eng. mean met dgl. bet.-ontwikkeling als ndl. gemeen) “id.”, got. gamains “id., onrein”. De ndl. ê kan uit ’t bijw. verklaard worden (= ohd. gimeino), dial. kan hij ook vóór j, i bewaard zijn gebleven. Vgl. buiten ’t Germ. vooral lat. com-mûnis “gemeenschappelijk, algemeen”, verder ook ier. móin, máin “kostbaarheid, schat”, lat. mûnus “plicht, ambt”, mûnia “verplichtingen”, osk. múinikad “communi”, obg. měna, lit. maĩnas “ruil”. Idg. moi-n- is een verlenging van mei-, moi-, vgl. obg. iz-mětŭsjęēlloiṓthēsan”, lett. mîju, mît “ruilen”, oi. máyate “hij ruilt” en de bij mis- II besproken basis mei-t-. Zie nog meineed.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gemeen bijv., Mnl. ghemene, Onfra. gemeini + Ohd. gimeini (Mhd. en Nhd. gemein), Ags. gemǽne (Eng. mean), Ofri. méne, Go. gamains + Lat. communis (d.i. *commoinis), Osl. en Bulg. měna = wisseling, ruil, Lit. maĩnas, Lett. mainit = verwisseling (z. meineed).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gemein (bn.) gemeen, vals; Nuinederlands gemeen <1776>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gemeen (vert. van Latijn communis)
gemeen- (Duits Gemein-)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gemeen (gemeenschappelijk), Germ, ga-maini-z, beantwoordend aan ’t Lat. com-munis. Volgens ’t Wdb. is munus: verplichting, plicht, ambt; vgl. immuniteit: vrijstelling van dienstplichten, vooral van belasting. Communis of gemeen zou dan bet.: te zamen verplichting hebben, te zamen verbonden, de gezamenlijke verplichting betreffende, gemeenschappelijk. – Bij uitbreiding: wat op ’t algemeen betrekking heeft, ’t meer alledaagsche, ’t gewone: gemeen soldaat, de gemeene hoop (d.i. de gewone, de laagste volksklasse), en wellicht hieruit ook onbeschaafd, laag, plat: een gemeene daad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gemeen ‘gewoon, alledaags; vals’ -> Engels † gamene ‘gewone soort (meekrap)’; Deens gemen ‘banaal; vals’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gemen ‘gewoon, alledaags; laag, verachtelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gemen ‘gewoon; vals’ (uit Nederlands of Nederduits); Menadonees geméne ‘gewoon schutter, in tegenstelling tot een korporaal of sergeant’; Petjoh gemeen ‘onaardig, flauw’; Negerhollands gemeen ‘gewoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gemeen* gemeenschappelijk 0901-1000 [WPs]

gemeen* vals 1776 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut