Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gemak - (behaaglijke rust en kalmte; gerief; toilet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gemak zn. ‘behaaglijke rust en kalmte; gerief; toilet’
Mnl. gemac, gemak ‘rust, kalmte, gerief, comfort’, in ombe hare gemac mogen si ophor eten ‘voor hun rust en welzijn mogen zij apart eten’ [1236; CG I, 25], gemac ‘gerief, comfort; nut, voordeel’ [1240; Bern.], ‘nut, voordeel’ in dat ghi tuwen ghemake wapene hebt ‘dat u voor uw behoefte, te uwen nutte, wapens heeft’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘werelds genoegen, lust’, in vanden wine hebbic gemac, dat mi aen die vrouwen gebrac ‘van de wijn krijg ik genot dat ik van de vrouwen niet kreeg’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. ghemack = ghevoegh ‘uitwerpselen’ en ghemack ‘het geheime gemak, secreet’ [beide 1599; Kil.].
Afleiding, met het voorvoegsel → ge- (sub d), van de stam van het werkwoord → maken ‘vormen, (samen)voegen, tot een geheel verbinden’, waarbij ook het zn.makker letterlijk ‘de verbondene’. Uit een letterlijke betekenis ‘dat wat past in het geheel’ ontwikkelen zich betekenissen als ‘dat wat gerieflijk, comfortabel, rustig is’, ‘dat wat voordeel brengt’, ‘dat waaraan behoefte is’ en ‘de behoefte zelf’. In het Middelnederlands bestond ook een, zeer weinig voorkomend, bn. g(h)emac, op dezelfde wijze afgeleid van dezelfde stam, dat letterlijk betekende ‘samengevoegd, passend gemaakt’, waaruit zich de betekenissen ‘in orde gemaakt, kalm, aangenaam’ ontwikkelden, bijv. in het was hem sachte ende ghemack, als hij hoerde, dat ... ‘het was hem lieflijk en aangenaam te moede, toen hij hoorde dat ...’ [1450-1500; MNW-R]. Dit bn. leeft voort in het bn.mak ‘handelbaar’.
Mnd. gemak ‘rust, gemak, plaats die voor het gemak dient, vertrek’, waaruit on. mak ‘vertrek’; ohd. gimah ‘rust, behaaglijkheid, genoegen’ (nhd. Gemach, ook ‘plaats waar men het zich gemakkelijk maakt, vertrek’). Als bn.: mnd. gemack ‘geschikt’; ohd. gimah ‘samengevoegd, passend, geschikt’ (nhd. gemach); oe. gemæc ‘passend bij’; on. makr ‘dienstig, gemakkelijk in de omgang’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gemak* [kalmte] {1236 in de betekenis ‘toestand van rust en vrede, voordeel, verzorging, nut dat men doet’} van middelnederlands gemaken [maken, scheppen, bewerken, veroorzaken], van maken met ongeveer dezelfde betekenis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gemak znw. o., mnl. ghemac ‘rust, vrede, genoegen, kalmte, voordeel, verzorging’ bij Kiliaen ook reeds ‘locus commodus’, mnd. gemak, gemake ‘rust, gemak, vertrek’, os. ungimak ‘inopportunitatem’, ohd. gimah ‘rust, behagelijkheid, genoegen’ (mhd. nhd. gemach ook ‘vertrek’); daarnaast ofri. mek met afwijkende bet. ‘huwelijk’. Daarnaast staat het bnw. mnl. ghemac ‘in orde gemaakt, kalm, aangenaam’, os. ungimak ‘infestus’, ohd. gimah ‘samengevoegd, passend, geschikt’, oe. gemæc ‘passend bij’, laat-on makr ‘passend’ (dit misschien uit mnd.). — Afleidingen van maken in de zin van ‘vormen, samenvoegen’; zie ook: mak en makker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gemak znw. o., mnl. ghemac (gen. ghemākes) o. “rust en vrede, genoegen, kalmte, voordeel, verzorging”, bij Kil. ook = “locus commodus” (nog geheim gemak). = ohd. gimah o. “rust, behaaglijkheid, genoegen” (mhd. nhd. gemach ook “plaats waar men ’t zich makkelijk maakt, vertrek”), (os. un-gimak “inopportunitatem”), mnd. gemak, gemāke o. “rust, gemak, plaats die voor ’t gemak dient, vertrek” (> laat-on. mak o. “vertrek”); met afwijkende bet. ofri. mek o. “huwelijk”. Behoort bij maken evenals ’t bnw. mnl. ghemac (zeldzaam) “in orde gemaakt, kalm, aangenaam” = ohd. gimah “samengevoegd, passend, geschikt” (nhd. gemach), (os. un-gimak “infestus”), ags. gemæc “passend bij”, laat-on. makr “dienstig, gemakkelijk in den omgang”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gemak o., Mnl. ghemac + Ohd. gimah (Mhd. gemach), in de bet. van kamer zoowel als van gemakkelijkheid, is een onz. bijv.nw. zelfst. gebruikt: Mnl. ghemac + Ohd. gimah, Ags. gemæc = passend, gerieflijk, van maken, evenals Lat. facilis (Fr. facile) van facere = maken, doen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

gemak, zn.: kamer; wc. De oorspronkelijke betekenis van gemak, Mnl. gemac, is ‘rust, vrede, genoegen, kalmte, voordeel, verzorging’. Kiliaan omschrijft het woord als locus commodus, d.i. ‘een ruimte waar je het je gemakkelijk kunt maken’. In het Duits is Gemach een deftig woord voor ons vertrek, dat in het Wvl. ook ‘wc’ betekent.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gemak, van den Germ. wt. mak: passend samenvoegen, passend bijeenbehooren (waarvan ook maken: tot een passend geheel verbinden); ook makker: de verbondene. Wat passend is samengevoegd: ’t gemak dus, bevalt ons, behaagt ons en. staat daarom gelijk met geriefelijkheid. Hiervan is afgeleid: gemakkelijk: passend, geriefelijk, enz. (Vgl. bijv. ’t Lat. facilis = gemakkelijk en facere = maken.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gemak ‘kalmte, behaaglijkheid; (verouderd) plaats waar men zich kan afzonderen’ -> Deens gemak ‘voorname kamer (op bijvoorbeeld slot), ruimte’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gemakk ‘deftige kamer’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gemak ‘salon, vertrek’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gemak* kalmte 1236 [CG I1, 25]

gemak* wc 1637 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2645. Op zijn zeven gemakken,

d.w.z. op zijn doode gemak, zeer langzaam; eene vooral in Zuidndl. bekende uiddrukking, waarin het getal zeven een onbepaald aantal uitdruktZie voor dit gebruik in de middeleeuwen Mnl. Wdb. VII, 1025 en vgl. het Zuidndl. met zeven haasten of gauwten, zeer haastig.. Vgl. Handelsblad, 8 April 1918 (A) p. 6 k. 3: Er wordt over 't algemeen flink en hard gewerkt door het personeel, maar wij hebben toch lokalen bezocht, waar de helpende dames en heeren op hun zeven gemakken zaten en hun taak wel wat gemakkelijk opvatten; Druiventros, 11: Onofrio, de muts over zijn ooren en zijn veermansjekker aan, kwam al stoppende zijn pijpje op zijn zeven gemakken het trapje afgestapt; F. Timmermans, Symforosa, 53: En het regent nu op zijn zeven gemakken; Antw. Idiot. 466: Op zijn zeven gemakken, zeer langzaam; Schuermans, 884: Op zijn zeven gemakken, heel op zijn gemak; Waasch Idiot. 760: Op zijn zeven of zeventien gemakken iets doen, zeer langzaam; Teirl. 471.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mag̑- ‘kneten, drücken, streichen’

Gr. μαγῆναι, μεμαγμένη zu μάσσω (zum Präs. s. menǝk- ‘kneten’), μογεύς ‘der Knetende’, μαγίς f. ‘geknetete Masse’, μάγειρος (eigentlich μάγῑρος) ‘Koch’, μαγδαλία ‘Stückchen Brot zum Fettabwischen’; μάκτρᾱ f. ‘Backtrog’;
mir. maistrid ‘buttert’ (*magis-tr-), bret. meza ‘kneten’, cymr. maeddu ‘kämpfen, stoßend durcheinandermischen’ (*maged-);
abg. mažǫ, mazati ‘salben, schmieren’, russ. mazь ‘Salbe’, abg. maslo ‘Butter, Öl, Salbe’ (*mag̑-slo-), mastь ‘Salbe, Fett’ (*mag̑-sti-), lett. iz-muõzêt ‘überlisten, zum Narrenhalten’;
mit bes. Anwendung auf den Lehmbau die Sippe von nhd. machen (aus ‘kneten, formen, zusammenfügen, von der mit Lehm verstrichenen Wand; geformt, passend), as. (gi)-makōn ‘machen, errichten, bauen’, ahd. mahhōn ds., nhd. machen, ags. macian ‘machen, verursachen’; as. gemaco ‘Genosse, Seinesgleichen’, ahd. gimahho ‘socius’ (gimahha ‘conjux’), ags. maca ds., gemæcca ‘ds., Gatte’ (aisl. maki ‘aequalis’ ist ndd. Lw.), ahd. ga-mah, gi-mah ‘zugehörig, passend, bequem’ (gimah ‘Verbindung, häusliche Bequemlichkeit, Gemach’), un-gamah ‘malus, minus idoneus’, ags. ge-mæc ‘passend, tauglich, (aisl. makr ‘passend, bequem’ ist ndd. Lw.); afries. mek n. ‘Verheiratung’, mekere ‘Ehenunterhändler’, mhd. mechele ‘Kuppelei’; aus germ. *makō stammt lat. mac(h)iō ‘Maurer’; daraus rom. *matsiō, woher wieder ahd. stein-mezzo ‘Steinmetz’.

WP. II 226 f., WH. II 3, Trautmann 173;vgl. mak-2 und menk-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal