Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelukken - (voorspoedig verlopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gelukken ww. ‘een voorspoedige afloop hebben’
Mnl. gelucken ‘een gunstige wending nemen’, in: alstem began ghelucken, ne wildi niet weder trucken ‘toen het er gunstig voor hem begon uit te zien, wilde hij niet terugtrekken’ [1300-25; MNW-P]; vnnl. t'soud' ons in de weerelt qualijck ghelucken ‘het zou ons in de wereld slecht vergaan’ [1564; WNT vreugdig], hoe 't Bhemen tegen stroomt, hoe 't Oostenrijck geluckt ‘hoe het Bohemen tegenzit, hoe het Oostenrijk meezit’ [1623; WNT verkardinalen].
Afleiding van het zn.geluk. Het werkwoord beschrijft eerst vooral de wendingen die het lot neemt, de gang van zaken; later is er alleen nog sprake van de gunstige afloop, wrsch. door het veelvuldig voorkomen van uitdrukkingen als als alles goed gelukt ‘als alles gunstig verloopt’ en dus ‘als de afloop gunstig is’.
Mhd. gelücken, glücken (nhd. glücken).
Gelukken is vooral schrijftalig. In de spreektaal is het woord vervangen door het synoniem zonder voorvoegsel, zie → lukken.

lukken ww. ‘voorspoedig verlopen’
Mnl. nu dattet mi beste lucket ‘nu het mij het voorspoedigst verloopt’ [1450-1500; MNW]; vnnl. lucken ‘een bepaalde afloop hebben’ [1573; Thes.], gelucken, lucken ‘voorspoedig verlopen, voorspoedig aflopen’ [1599; Kil.]; nnl. lukken, ook ‘slagen’ [1725; WNT].
Nevenvorm van ouder → gelukken ‘een voorspoedige afloop hebben’. Beide woorden waren aanvankelijk synoniem. Pas in het Nieuwnederlands ontstond een licht betekenisonderscheid: gelukken legt meer nadruk op een resultaat, lukken meer op een proces.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lukken* [wel slagen] {lucken 1451-1500} middelnederduits lucken, van middelnederlands luc, middelnederduits lucke, oudfries luk, vgl. geluk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gelukken ww., mnl. ghelucken, zelden lucken, mnd. lucken, refl. ‘toevallig gebeuren’, mhd. g(e)lücken ‘gelukken’ is afgeleid van geluk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gelukken, lukken ww. Afl. van geluk. Mnl. ghelucken, zelden lucken, mhd. g(e)lücken (nhd. glücken), mnd. lucken “gelukken”, mnd. refl. “toevallig gebeuren”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gelukken ‘een voorspoedige afloop hebben’ -> Fries gelokke ‘een voorspoedige afloop hebben’; Negerhollands geluk ‘een voorspoedige afloop hebben, lukken, slagen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lukken* slagen 1451-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut