Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geluk - (lot; voorspoed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geluk zn. ‘lot; voorspoed’
Mnl. gelucke ‘lot, fortuin; voorspoed, succes, gunstige omstandigheden’ [1240; Bern.], dit was daniels gheluc ‘dit was een fortuinlijke omstandigheid voor Daniel’ [1285; CG II, Rijmb.], dese steen ... gheuet gheluc ‘deze steen brengt geluk’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ook als toenaam: willem ylucke [1281; CG I, 1136], Ghiselbrecht Ghelucke [1294; CG I, 1987]; vnnl. luck = gheluck ‘fortuin, voorspoed, geluk’ [1599; Kil.]; in het vnnl. komt ook het verkleinwoord op, met de betekenis ‘een geval van goed geluk, een tref’: een gelukje [1692; WNT versteken I].
Ook zonder voorvoegsel: mnl. dairtoe sijn luc was out ‘daarbij liet zijn geluk hem in de steek’ [ca. 1300-50; MNW luc], sijn luc is dynne ‘zijn geluk is magertjes’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. luck ‘lot, fortuin, toeval, geluk’; na de 1e helft van de 17e eeuw sterft het uit, behalve in sommige dialecten en afgezien van een opleving in de Romantiek in de 19e eeuw (WNT). Zie ook → lukraak.
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub c, in collectieve zin) van een verouderd woord luk, mnl. luc(k), met ongeveer dezelfde betekenis(sen) als geluk. Verdere herkomst onduidelijk. Misschien (Toll.) is dit een oude ja-stam (onl. *(gi)lukki) bij het werkwoord pgm. *lūkan- ‘sluiten’, waarvoor zie → luiken; geluk is dan ‘het afgeslotene, het beslotene, het besluit’ en vandaar ‘bestemming, lot’. Mogelijk (WNT) is geluk verwant met Hoogduits gelingen ‘gelukken, slagen’, zoals → drukken verwant is met dringen en ruk met (w)ringen, maar gelingen komt alleen in het Hoogduits voor en de herkomst ervan is onduidelijk, misschien is er verband met → lang (Kluge)? FvW oppert verwantschap van (ge)luk met → licht 2 ‘niet zwaar’, waarbij volgens hem ook Hoogduits gelingen hoort.
Mnd. gelucke; mhd. gelücke, glücke (nhd. Glück); zonder voorvoegsel mnd. lucke, waaruit ook on. lukka (nzw. lycka); ofri. luk(k) ; me. lucke, luk (ne. luck), alle ‘lot, toeval’ en daarom ook ‘geluk, voorspoed’.
gelukkig bn. ‘voorspoedig’. Mnl. geluckech, geluckeg ‘voorspoedig, gunstig, gezegend’ [1240; Bern.]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig. Ook aangetroffen zonder voorvoegsel: luckich ‘voorspoedig’ [1480; MNW-P].
Lit.: W. Sanders (1965), Glück: zur Herkunft und Bedeutungsentwicklung eines mittelalterlichen Schicksalsbegriffs, Köln

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geluk* [voorspoed] {geluc(ke) [geluk, voorspoed] 1201-1250} middelnederduits (ge)lucke [idem], middelhoogduits (ge)lücke (hoogduits Glück) [geluk, toeval, lot]; het engels luck is aan taalvormen van het continent ontleend. Het woord komt op een zo klein gebied voor, dat er weinig ruimte is voor conclusies over de etymologie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geluk znw. o., mnl. gheluc, ghelucke ‘geluk, voorspoed’, mnd. (ge)lucke ‘geluk, lot, gelukkig toeval, voordeel’, mhd. (ge)lücke (nhd. glück) ‘geluk, toeval’. Een uitsluitend westgerm. woord, want oe. luck, (sedert 15de eeuw) en laat-on. lykka zijn ontleend. Het is daarom gevaarlijk aanknopingen in idg. talen te proberen.

Van de vele pogingen noemen wij: 1. vWijk, Ts 35, 1916, 39 vlgg. knoopt aan bij osl. lučiti ‘contingere’, sŭlučai, prilučai ‘toeval, gelegenheid’, polučai ‘lot’ en verbindt deze woorden twijfelend hoger op met de idg. wt. *leuk ‘licht’. — 2. Minder aannemelijk is een verbinding met de groep van luiken, die Güntert WS 11, 1925, 135 aannemelijk wil maken. — 3. A. Lindqvist, Gramm, ok psykol. 1912, 146 verbindt met de wt. *leug ‘buigen’ (gr. lugízein ‘buigen’), dat langs ‘naar elkaar toe buigen’ tot ‘sluiten’ zou hebben gevoerd (IEW 685): geluk zou dan zijn ‘de wijze hoe iets sluit of eindigt’ > ‘wat goed afloopt’. Een volkomen geconstrueerde betekenis-ontwikkeling. — 4. Met dezelfde wortel opereert Heinertz, Etym. Studien z. Ahd. 27 vlgg., die nu als uitgangspunt neemt gr. lúgos ‘twijg’ en construeert als oorspronkelijke betekenis ‘omheinde stukken akker die op bepaalde tijden door het lot verdeeld werden’ > ‘lot’, vgl. on. lykkja ‘omheind stuk grond’. Maar wanneer men van ‘twijg’ uitgaat, waarom dan niet aan te knopen aan de lotstaafjes bij het wichelen? — 5. J. van Lessen Ts. 53, 1934, 28-31 wil uitgaan van het woord lok, eig. ‘vezelige massa’ > ‘een zekere hoeveelheid’ > ‘hoeveelheid, die iemand door het lot wordt toegewezen’ > ‘alles, wat de fortuin schenkt’. Een weinig aannemelijke constructie, die door haar aanvulling Ts. 59, 1940, 68 met mnl. onghelucke bnw. toch niet voldoende gesteund wordt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geluk znw. o., mnl gheluc, ghelucke o. = mhd. g(e)lücke o. “geluk, toeval, beroep” (nhd. glück), mnd. (ge)lucke o. “geluk, lot, gelukkig toeval, voordeel”. Ontleend zijn eng. luck, laat-on. lykka v., de. lykke, zw. lycka “geluk”. Mnl. luc(ke) o. is zeldzaam. Oorsprong onzeker. De afl. uit idg. *legųh-n-íjo-, verwant met ’t bnw. licht en hd. gelingen “gelukken”, verdient overweging.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geluk. Aan dit woord hebben sedert 1912 verschillende geleerden hun geluk beproefd. Een combinatie met semantisch zeer nabij staande slav. woorden maakt v.Wijk Tschr. 35, 39 vlgg.: obg. lučiti sę ‘contingere’, sŭlučai, prilučai ‘toeval, gelegenheid’, po-lučai ‘lot’ en woorden van soortgelijke bet. in moderne slav. talen. Het woord berust dan met oergerm. kk (zie bij bakken Suppl. 1e alin.) op een idg. wortel *luq-, *leuq-, *louq-, die wel geïdentificeerd wordt met de onder licht I besproken basis: een grondbet. ‘zien’ kan zich tot die van ‘mikken, treffen’ hebben ontwikkeld. — Deze etymologie verdient de voorkeur boven de oude verbinding met de groep van luik(en) en eventueel lok, die o.a. door Güntert WuS. 11, 135 op weinig overtuigende wijze is bepleit. Zeer scherpzinnig, maar te hypothetisch is het betoog hiervoor van Heinertz Et. Stud. z. Ahd. 27 vlg., die vooral bij gr. lúgos ‘twijg’, (zie bij lok) aansluit. De ospr. bet. van het germ. woord zou volgens H. zijn ‘omheinde stukken akker, die op bepaalde tijden door het lot verdeeld werden’, daarna in ’t algemeen ‘lot’, terwijl on. lyk(k)ja v., zw. lycka, de. lykke, løkke ‘omheind stuk grond’ die oude bet. zouden bewaren. — Meer met reële gegevens werkt Ja. van Lessen Tschr. 53, 28 vlgg. in haar pleidooi voor combinatie met lok Suppl. en lokken Suppl., maar ook dit betoog sluit niet zonder hypothetische en door oudere gegevens weinig gesteunde betekenis-constructies. — gelukken. De vorm lukken heeft terrein gewonnen om de bij gelijken Suppl. vermelde reden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geluk o., Mnl. ghelucke + Mhd. gelücke (Nhd. glück): oorspr. onzeker; Eng. luck, Zw. lycka, De. lykke, Fri. luk zijn ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gelök (zn.) voorspoed; Vreugmiddelnederlands gelucke <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

geluk s.nw.
1. Voorspoed wat 'n persoon sonder eie toedoen te beurt val. 2. Aangename toestand van tevredenheid.
Uit Ndl. geluk (Mnl. gelucke), 'n afleiding met ge-, wat oorspr. kollektiewe krag gehad het, van 'n Germ. wortel wat 'sluit', daarna 'besluit', 'bestemming' en uiteindelik '(nood)lot' beteken.
D. Glück, Eng. luck.
Vgl. lukraak, misluk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geluk, † luk ‘voorspoed’ -> Fries gelok ‘voorspoed’; Engels luck ‘lot, fortuin’; Deens lykke ‘voorspoed’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lykke ‘voorspoed’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lycka ‘voorspoed’ (uit Nederlands of Nederduits); IJslands lukka ‘voorspoed’; Fins lykky ‘voorspoed’ ; Negerhollands geluk, gluk, glek, glik ‘voorspoed’; Sranantongo koloku ‘voorspoed’; Saramakkaans koloku ‘voorspoed’; Surinaams-Javaans kolku ‘voorspoed (hebben)’ ; Surinaams-Javaans khelig ‘voorspoed (hebben)’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † guck ‘voorspoed’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geluk* voorspoed 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut