Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geluid - (klank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geluid zn. ‘klank’
Mnl. geluut, geluyt ‘(luide) klanken’, vaak ook ‘geschreeuw, geraas’, in dat ghelut van harre clagen ‘het doordringende geluid van haar geklaag’ [1265-70; CG II, Lut.K], voer die aertbeuinghe comt een gheluut ‘vóór de aardbeving komt een luid geraas, gerommel’ [1400-29; MNW-R]; vnnl. geluyd ‘klank(en)’, met afnemende connotatie van lawaai, in ende ist dat die basoene, een onseker gheluyt gheeft, wie sal hem totten strijt bereyden ‘en als de bazuin een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan gereed voor de strijd?’ [1528; Vorsterman], de wint blaest waer henen hy wil, ende gy hoort sijn geluyt [1688; WNT]; nnl. eene ryke mengeling van onderscheiden geluiden [1785; WNT].
Het woord kwam al eerder zonder het voorvoegsel ge- voor: onl. lūt fluodi sinro ‘het bruisen, het geluid van haar golven’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wat dier ghene longhen en heeft, es sonder luut ‘een dier dat geen longen heeft, heeft geen stem, kan geen geluid voortbrengen’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nog tot na 1700 in de uitdrukking naar luid van ‘naar verluidt’, letterlijk ‘naar de klank van’, bijv. in na luyd des briefs ‘volgens wat er in de brief staat’ [1625; WNT luid I].
Afgeleid, met het voorvoegsel → ge- (sub c, in collectieve betekenis), van het verouderde zn. luid ‘geluid’, onl. lūt ‘geluid, klank’ [10e eeuw; W.Ps.], dat een zelfstandig gebruik is van het bn.luid ‘veel geluid voortbrengend’.
Mnd. gelut, gelude; mhd. gelut (nhd. Gelaut); oe. (ge)hlyd; zonder ge- ohd. hlūti (nhd. Laut ‘klank, geluid’); nzw. ljud ‘klank, geluid’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geluid* [dat wat hoorbaar is] {geluut 1254} van ge- + luid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geluid znw. o., mnl. gheluut ‘geluid, geschreeuw, gericht, faam’, mnd. gelūt ‘geluid, lawaai, gerucht’, ofri. hlūd ‘geluid, lawaai’, is evenals het anders gevormde ohd. gilūti (nhd. geläute), oe. gehlȳd, gehlȳde ‘geruis, lawaai’ een afl. van luid 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geluid znw. o., mnl. geluut(d) o. “geluid, geschreeuw, gelui, gerucht, faam”. Gevormd van luiden. Evenzoo mnd. gelût o. “geluid, lawaai, gerucht”, ofri. hlûd o. “id.”. Zie luid II. Met formans -ia- ohd. gilûti o. (nhd. geläute), ags. gehlŷd, gehlŷde o. “gedruisch, lawaai”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geluid o., + Mhd. gelût: van ’t zelfst.nw. luid, Hgd. der laut = klank.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

geluid s.nw.
1. Klank. 2. Geestelike indruk, mening.
Uit Ndl. geluid (Mnl. geluut), 'n afleiding met ge-, wat oorspr. kollektiewe krag gehad het, van die verouderde s.nw. luid (Mnl. luut) 'klank, rumoer'.
D. Laut.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geluid* dat wat hoorbaar is 1265-1270 [VMNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

geluid: door het — gaan, jeugdtaal voor ‘in een toestand van euforie geraken; emotioneel erg opgewonden raken’. uit zijn dak* gaan.

De plaat heet ‘Surf or Die’, hij is alleen te koop bij de betere platenwinkels (omdat ie officieel niet in Nederland is uitgebracht) en je gaat echt door het geluid als je ’m draait. (Popfoto, december 1987)
... als The Woodentops je eenmaal in hun greep hebben, ga je wèl door het geluid. (Muziek Express, maart 1988)
New Beat. Daar ga je van door het geluid. (Popfoto, februari 1989)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut