Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geloof - (vertrouwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geloven ww. ‘vertrouwen stellen’
Onl. gilōbian ‘vertrouwen stellen’ in gelōbistu in got alamehtigen fadaer - ec gelōbo in got alamehtigan fadaer ‘geloof je in God de almachtige vader? ik geloof in God de almachtige vader’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26]; mnl. ende gelouet bi [mire] cronen dat ic wille lonen ‘en geloof het, bij mijn kroon, dat ik zal belonen’ [1201-25; CG II, Floyr.], ‘vertrouwen, geloven’ in of gijs gelouen niene ruoket ‘als u dat niet wenst te geloven’ [1220-40; CG II, Aiol], gelouen ‘beloven, toezeggen; geloven’ [1240; Bern.]; vnnl. gheloouen ‘vertrouwen, geloof hebben’ [1599; Kil.].
Afleiding, met het versterkende voorvoegsel → ge- (sub f), van het werkwoord → loven in de verouderde betekenis ‘inwilligen, toestemmen; toezeggen’. In de betekenis ‘toezeggen’ is geloven verdrongen door → beloven.
Os. gilōƀian (mnd. geloven); ohd. gilopôn, gilobôn (nhd. geloben); ofri. lēva; got. galaubjan. Daarbij de zn.: os. gilōƀo; ohd. gilaubo; ofri. lāva; oe. geleafa; got. galaubeins.
geloof zn. ‘vertrouwen’. Onl. gilōvo ‘id.’ in thes heyligan gelouan ‘van het heilige geloof’ [ca. 1100; Will.]; mnl. geloue ‘lichtgelovigheid’ [1240; Bern.], groet geloeue ontfinc si ‘een groot geloof ontving zij’ [1265-70; CG II, Lut.K], dies ne adde niemen gheloef ‘daarom had niemand er vertrouwen in’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. gheloof, ghelooue ‘vertrouwen’ [1599; Kil.]. Afleiding van geloven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geloof znw. o., mnl. ghelôve m. v. o., os. gilōƀō m., ohd. gilaubo m. (nhd. glaube), ofri. lāva, oe. geleafa ‘geloof, vertrouwen’. Een andere formatie heeft got. galaubeins bij het ww. galaubjan. — Zie: geloven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geloof znw. o., mnl. ghelôve m. v. o. = ohd. gilouba v., giloubo m. (nhd. glaube m.), os. gilôƀo, ofri. lâva; ags. gelêafa m. “geloof, vertrouwen”. Got. galaubeins v. “id.” is gevormd van ’t ww. galaubjan “gelooven” = ndl. gelooven, mnl. ghelôven, ohd. gilouben (nhd. glauben, oudnhd. nog gläuben, gleuben), os. gilôƀian, ofri. lêva (owfri. ook liuwa, lyowa), ags. gelîefan (eng. to believe) “gelooven, vertrouwen”; on. leyfa = “prijzen, toestaan”. Van de basis germ. leuƀ-, idg. leubh-, waarvan ook lief; vgl. nog got. galaufs “van waarde”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

glo bw.
Na bewering, blykbaar, vermoedelik.
Wsk. in Afr. self ontstaan deur verkorting van die tussensin glo ek. Die onderwerp ek het gaandeweg weggeval en die oorspr. tussensin is as modale bw. opgeneem in die sin wat daardeur onderbreek is. Vgl. Dit sal, glo ek, nie weer gebeur nie x Dit sal glo nie weer gebeur nie. Die argument van Scholtz (1965: 30) dat dié proses reeds in ouer Ndl. plaasgevind het, omdat gelove wel sonder ik as tussensin voorgekom het, kan negeer word in die lig daarvan dat Ndl. nie glo as modale bw. ken nie. Eerste optekening in Afr. by Bezuidenhout (1851) (Scholtz 1965: 30).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

geloof’ (het), (ook:), talisman. ‘A [S, het] geloof’ is een sapakara*, die sinds mensenheugenis () het erf* mede bevolkt en er bij tijd en wijle een wandeling over maakt (Dobru 1968a: 32). Deze sapakara is de talisman van het erf* (4).
— : een geloof hebben (had, heeft gehad), (ook, gezegd van dingen:) behept zijn met een magische kracht en in staat zijn onheil te veroorzaken, bijv. nadat een bepaald verbod overtreden is. Een put waaruit we na acht uur ’s avonds geen water meer mochten halen om onze bemodderde benen te wassen, omdat hij (de put) een ‘geloof’ had (Waller 4).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Geloof, hoop en liefde, de drie christelijke of goddelijke deugden; ook genoemd als cruciale deugden buiten de christelijke context.

In de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs komt zijn bekende lyrische lofrede op de liefde voor. Deze eindigt met de woorden: 'Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde' (1 Korintiërs 13:13, NBV). Op deze trits wordt gevarieerd in bijvoorbeeld Geloof, dood en liefde. Titel van een reeks interviews over deze thema's door Frenk van der Linden in NRC Handelsblad (eind jaren '90). De deugden worden wel gesymboliseerd door resp. een kruis, anker en hart; deze symbolen zijn niet aan de bijbel ontleend.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Korintiërs 13:13. Nu blijft gelooue, hope, liefde, dese drie, maer die liefde is de grootste onder desen.
In deze geest wil dan dit boek iets als een venster openen op Maerlants wereld. Het is vervaardigd in de werkplaats van de wetenschap, maar heeft als achterliggende drijfveer een liefde die au fond niet zoveel afwijkt van die van de bevlogen negentiende-eeuwse gravers naar Jacob van Maerlants resten -- een liefde die hier hand in hand gaat met geloof en hoop om zoal niet de schoonheid, dan toch in elk geval de rijkdom van Maerlants werk en wereld tot hun recht te laten komen. (F. van Oostrom, Maerlants wereld, 1996, p. 15-16)
De opmerkingen die ik vanmiddag te maken heb, liggen op drie terreinen: de omroep, het HOOP en de cultuur. Als ik dat zo zeg, realiseer ik mij dat het lijkt op een andere, nog bekendere trits: geloof, hoop en liefde. En de meeste van deze -- dat is de conclusie -- is de cultuur en daar wil ik mee beginnen. (Tweede Kamer, nov. 1995)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geloof ‘vertrouwen in God’ (bet. van Latijn fides)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geloof ‘vertrouwen in de waarheid van iets; godsdienst’ -> Fries geloof ‘vertrouwen in de waarheid van iets; godsdienst’; Negerhollands geloof, gelovf, gloof ‘vertrouwen in de waarheid van iets; godsdienst’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

651. Een goed geloof en een kurken ziel dan kunje drijven.

Dit antwoordt men op eene ongeloofelijke of onwaarschijnlijke mededeeling. De spreekwijze komt bij Harreb. I, 225 voor als: een goed geloof en eene kurken ziel: dan drijft men de zee over (of altijd boven), in den zin van met goed vertrouwen en luchthartigheid (onbezwaard gemoed) komt men alles te boven; zie Ndl. Wdb. IV, 1238, waar gewezen wordt op het hd, ein guter Glaube und ein Korkpfropf halten sich imner oben (Wander I, 1698Waarschijnlijk eene vertaling van de Ndl. spreekwijze.). In de litteratuur trof ik de zegswijze aan in Nest. 106: Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan je drijven, bromde hij; B.B. 77: Een goed geloof, en een kurken ziel, daar ga je! Nkr. III, 11 April p. 2: Met een blij gemoed en 'n kurken ziel kom je ten slotte het verst; Nw. School II, 230: Ze zouden de paedagogiek hervormen? Een goed geloof en een zwemblaas voor ziel!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut