Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelofte - (belofte aan God; plechtige belofte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gelofte zn. ‘belofte aan God; plechtige belofte’
Mnl. ghelo(e)fte ‘belofte, toezegging’ in dese vorwarden ende dese gheloeften ‘deze voorwaarden en deze toezeggingen’ [1285; CG I, 1051], ‘plechtige belofte’ in: van eede ofte van ghelofte die ic ofte mine arefnamen doen af ghedaen ebben ‘van eed of van belofte die ik of mijn erfgenamen afleggen of hebben afgelegd’ [1292; CG I, 1720], ‘belofte aan God’ in moet ghehoersam sijn sinen prelaten, ende sijnre reghelen, ende sinen gheloften ‘moet gehoorzaam zijn aan zijn prelaten en zijn (klooster)regels en zijn geloften’ [1380-1400; MNW-P]; vnnl. gelofte ‘belofte of plechtige gelofte’ [1573; Thes.].
Afleiding, met het achtervoegsel → -te, van het werkwoord → geloven in de verouderde betekenis ‘beloven, toezeggen’. De oudste betekenis van geloven was ‘goedkeuren, inwilligen’, een gelofte was dus inwilliging, toestemming; later kwam daar de betekenis ‘toezegging’ bij, waarin het nu vervangen is door → belofte, behalve wanneer het een plechtige toezegging betreft. Een afleiding zonder -te bestond al in het Oudnederlands: geluvi ‘gunst, toestemming’, in mit geluui ‘met gunst, met toestemming’ [10e eeuw; W.Ps.].
Mnd. gelovede, gelofte; ohd. gelubeda ‘gunst, bewilliging’ (nhd. Gelübde ‘gelofte’).
In de rooms-katholieke kerk is de gelofte een plechtige verzekering of verklaring die iemand aflegt die tot het priesterambt wordt gewijd of zich doet opnemen in een geestelijke orde: de gelofte van gehoorzaamheid, kuisheid, en in het laatste geval ook van armoede.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gelofte* [plechtige belofte] {1285 in de betekenis ‘goedvinden, belofte, gelofte’} afleiding van geloven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

belofte znw., mnl. belofte v. (o.) “belofte, overeenkomst”. In de latere M.E. onder invloed van belof o. “belofte, gelofte, overeenkomst” en ghelofte opgekomen naast beloofde, beloofte v. (formatie als ofri. lovethe; zie beloven). Ndl. gelofte, mnl. ghelofle v. “belofte, gelofte” is vroeger ontstaan dan belofte. Het is een contaminatievorm van ghelof o. en gheloofte v. o. (zelden gheloofde), die beide vrij veel gebruikt werden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gelofte v., Mnl. ghelof en geloofte + Ohd. gilubida (Mhd. en Nhd. gelübde) = goedkeuring, toestemming, belofte: afgel. van geloven: z.d.w., alsook belofte en lief.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gelofte* plechtige belofte 1285 [CG I2, 1055]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut