Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelegenheid - (geschikte omstandigheid of gebeurtenis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gelegenheid zn. ‘geschikte omstandigheid of gebeurtenis’
Mnl. gheleghenheit ‘toestand, stand van zaken; geografische ligging, landschappelijke omstandigheden’, in: wat van deser stede de gheleghenteit [was] ‘wat van deze stad de toestand is, hoe het er met deze stad voorstaat’ [1350-1400; MNW-R], opdat gij die gelegenheit dairaff weten moigt ‘opdat gij de stand van zaken moogt weten’ [1487; MNW]; vnnl. gelegenheit, vooral al in de huidige betekenis ‘(geschikte) omstandigheid of moment’: holden die susteren van den werck op na gheleghenheit der hochtiden ende na gewoonten ‘houden de zusters op met het werk naar gelang de feestdag en de gewoonte’ [1500-50; WNT werkelijk], de gheleghentheyt waernemen ‘de kans grijpen’ [1552; WNT waarnemen], ‘geschikt tijdstip’, in: sal by ander gheleghentheyt verhaelt werden [1644; WNT versteken I].
Afgeleid, met het achtervoegsel → -heid, van het verl.deelw. van → liggen in de betekenis ‘zich bevinden’. De -t- achter gelegen in sommige vindplaatsen is paragogisch, zoals ook bijv. in om mijnent wille, en zie → arend.
Mnd. gelegenheit; mhd. gelegenheit (mhd. Gelegenheit).
Al in het Middelnederlands werd het woord behalve in de oorspr. betekenis ‘(geografische) ligging’ al overdrachtelijk gebruikt, dus ook ‘landschappelijke omstandigheden’ of ‘omstandigheden in het algemeen’, en daarna ‘omstandigheden die gunstig of geschikt zijn (voor datgene waarvan sprake is)’. De oorspr. betekenis is nog lang blijven bestaan, maar is inmiddels verouderd: de gelegentheid van Amsterdam zou het beleg daarvan heel bezwaarlijk maken [1717; Marin FN], en nog ongemarkeerd als ‘ligging’ [1872 t/m 1984; van Dale].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gelegenheid* [plaats m.b.t. haar ligging] {gelegenheit [ligging, plaats, wijze van leven] 1475} afleiding van gelegen, dat het verl. deelw. is van liggen. De uitdrukking de gelegenheid bij de haren grijpen stamt van de Grieken, die de godin Agathè Tuchè [de goede godin van het toeval] beschreven als iem. die lang haar had, maar kort van achteren. Liet men haar voorbijgaan dan was zij van achteren niet meer te pakken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gelegenheid znw. Een sedert de mnl.-mhd.-mnd. periode bestaande afl. van gelegen, deelw. van liggen. Mnl. ghelēgenheit v. = “toestand, aard”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gelegenheid v., + Hgd. gelegenheit, afgel. van ’t bijv.nw. gelegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gele’genheid (de, -heden), (i.h.b.:) gelegenheid tot vervoer van een persoon, lift. De moestuin werd dus aangelegd, maar daar Caledonia ver van de stad gelegen is, was er toen zelden, misschien eens in de maand, gelegenheid van en naar Paramaribo (Bartelink 73). - Etym.: ln AN veroud. - Syn.brik* (2). Zie ook: drop*, droppen*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gelegenheid ‘ligging; gunstige omstandigheid’ -> Fries gelegenheid ‘ligging; gunstige omstandigheid’; Zweeds lägenhet ‘appartement, flat, woning’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands gelegenheit, gelegenheid ‘plaats m.b.t. haar ligging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gelegenheid* plaats m.b.t. haar ligging 1399 [Stadb. Zwolle II]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

417. De gelegenheid maakt den dief,

d.w.z. ‘wanneer de omstandigheden het stelen mogelijk of gemakkelijk maken, wordt iemand allicht een dief. In oneigenlijke opvatting ook toegepast op het bedrijven van kwaad in het algemeen.’ Mnl. Stonde (of stade) leert stelen of doet stelen den dief; zie Bebel, 317; Goedthals, 31; Adagia, 10: de occasie maekt den Dief, en verder Harrebomée III, 159 a; Teirl. 466: de gelegenheid (of d'okkasie) maakt den dief. Vgl. met deze spreekwijze: de open deur roept den dief (bij Cats) en 't open gat, dat roept den dief (De Brune, 218; vgl. Harrebomée III, 157 bVgl. hd. Offene Tür verführt einen Heiligen; Sp. puerta abierta al santo tenta. Het gezegde komt in zeer vele talen voor; zie Simrock, die Deutschen Sprichw. 560.; Kluchtspel III, 250: Gelegenheid maakt genegenheid; oostfri. gelegenheid mâkt genegenheid un genegenheid mâkt dêfe (Dirksen I, 34); Wander I, 1528: Gelegenheit macht Diebe; fr. l'occasion fait le larron; eng. opportunity makes the thief; fri. de gelegenheit makket de dief.

648. De gelegenheid bij de haren grijpen of pakken,

d.w.z. gretig van den geschikten tijd of eene gereede aanleiding gebruik maken, ze aangrijpen, er zonder verwijl gebruik van maken, want ‘als 't pap regent mot je de schuttels buten brienge’, ‘als 't hooi droog is moetje mennen’ en ‘als de uien droog zijn, moeten ze onder stroo’ (N. Taalg. XIV, 252). Vgl. het fr. prendre l'occasion aux (ou par les) cheveux; hd. die Gelegenheit beim Schopf (oder bei der Stirnlocke) fassen oder greifen; eng. to take (or seize) time by the forelock or the top. (Shakespeare: Let's take the instant by the forward top). Men herinnere zich, dat de Grieken het gunstige oogenblik, de gelegenheid, voorstelden als een naakte vrouw of als een jongeling met kalen achterschedel, of met lang haar van voren en zeer kort van achteren, en den eenen voet, soms gevleugeld, op een rad (vgl. het lat. fronte capillata, post est occasio calva). Liet men haar voorbijgaan, dan was zij van achteren niet meer te grijpen, men moest haar, wanneer ze voor iemand kwam, onmiddellijk vóor bij het haar grijpen. Voor bewijsplaatsen van deze zegswijze zie men Hooft's Brieven, 253; Vondel VIII (ed. Alb. Thijm), 328; Fenic. 780: De krijghskans by 't haer grijpen; Huygens IV, 17; Westerbaen I, (Ockenb.), 74: 't Geluk bij de bles grijpen; Staring, Jaromir II, 33:

Heintje Pik lag op zijn luimen,
Om, met acht vingers en twee duimen,
De kans, hem vroeg of laat geboôn,
Krachtdadig bij haar vlecht te pakken,
En onzen driesten Muzenzoon
Een kool te bakken.Zie Zwolsche Herdrukken, VII, bl. 129-130.

Zie verder het Ndl. Wdb. V, 1411; Baumeister, Denkmäler II, 771; Wander I, 1530; Otto, 249; Journal, 255.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut