Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geleerd - (wetenschappelijk onderlegd en/of bedreven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geleerd bn. ‘wetenschappelijk onderlegd en/of bedreven’
Mnl. geleret ‘wetenschappelijk ontwikkeld, beschaafd’ [1240; Bern.], hadde enen broeder ... die was geleert ‘had een broer die wetenschappelijk gevormd was’ [1265-70; CG II, Lut.K], gheleert so was hi wale indien aert diemen heet liberale ‘zeer wetenschappelijk onderlegd was hij in wat men de vrije kunsten noemt’ [1300-25; MNW-R].
Verl.deelw. van → leren ‘onderwijzen’, dus letterlijk ‘door onderricht bekwaam gemaakt’, gebruikt als bn. Dit verl.deelw. komt al in het Oudnederlands voor in een context waarin duidelijk wordt hoe het bijvoeglijk gebruik ontstaan is: gelierot uuerthet ‘wordt onderwezen, laat u beleren, wordt wijs’ [10e eeuw; W.Ps.].
Nhd. gelehrt; nfri. geleard, leard; ne. learned; nzw. lärd.
geleerde zn. ‘wetenschappelijk onderlegd en/of bedreven persoon’. Mnl. gheleerde die soudense scuwen ‘personen die gestudeerd hebben zouden ze (namelijk de zonde) moeten vermijden’ [1380-1425; MNW-R], den wijsen ende den gheleerden ‘aan de wijzen en geleerden’ [1450-1500; MNW]. Zelfstandig gebruikt bn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geleerd* [knap] {geleert [rijk aan levenswijsheid, knap, geleerd] 1201-1250} middelnederduits gelert, middelhoogduits gelēret, oudengels gelæred [idem]; van leren, o.i.v. latijn doctus [geleerd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geleerd bnw., mnl. gheleert ‘rijk aan levenswijsheid, knap’ heeft zijn huidige betekenis gekregen onder invloed van lat. doctus, dat tot docēre ‘onderwijzen’ staat evenals geleerd tot leren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geleerd bnw., mnl. gheleert(d) “rijk aan levenswijsheid, knap, geleerd”. = ohd. galêrit “id.” (nhd. gelehrt). In de bet. beïnvloed door lat. doctus “knap. geleerd” van docêre “onderwijzen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geleerd. Vgl. ook mnd. gelêrt, ags. gelæ̂red ‘knap, geleerd’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geleerd(e) ‘erudiet (persoon)’ (bet. van Latijn doctus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geleerd ‘knap’ -> Negerhollands geleert ‘slim, intelligent’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geleerd* knap 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut