Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelden - (van toepassing zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gelden ww. ‘van toepassing zijn’
Mnl. ghelden ‘betalen; opbrengen, kosten, waard zijn’, in so wie ... so rike es dat hit gelden mach ‘al wie zo rijk is dat hij het kan betalen’ [1237; CG I, 21], als dat coren wel ghelden mach, vercoopt up den selven dach ‘als het koren goed geld moet opbrengen, verkoop het dan op dezelfde dag’ [1350-1420; MNW], enen riddere stout, diere gout daer wale twee ‘een dapper ridder, die er wel twee waard was’ [ca. 1444; MNW]; vnnl. gelden ook ‘gericht zijn op, van kracht zijn, van toepassing zijn’, in nu salter u gelden ‘nu zal het om u gaan’ [1580; MNW], 't recht der gebiedenis geldt ‘het recht van wie de heerschappij heeft is van kracht’ [ca. 1635; WNT]; nnl. dat het schot niet gelden mocht [1836; WNT].
In het Oudnederlands komt al een vorm met het voorvoegsel → ver- voor: fargalt ‘ik heb terugbetaald’ [10e eeuw; W.Ps.], zie verder → vergelden.
Woord dat alleen in het Germaans voorkomt en dus mogelijk van substraatherkomst is. Bij dezelfde stam horen ook → geld en → gilde. De betekenis ‘betalen, vergoeden, boeten’ verouderde in de Vroegnieuwnederlandse periode. De betekenis ‘opbrengen, waard zijn’ ontwikkelde zich tot ‘datgene zijn wat van toepassing of van kracht is’. In de andere Germaanse talen hebben soortgelijke, maar niet altijd overeenkomstige, betekenisontwikkelingen plaatsgevonden.
Os. geldan ‘betalen, vergelden’; ohd. geltan ‘betalen, vergoeden, vergelden, offeren’ (nhd. gelten ‘gelden, waard zijn, betreffen’); ofri. gelda ‘waard zijn, betreffen’ (nfri. jilde ‘gelden, kosten, opbrengen’), oe. geldan, gieldan ‘betalen, vergelden, offeren’ (ne. yield ‘toegeven, opbrengen’); on. gjalda ‘betalen, teruggeven, vergelden’ (nzw. gälda ‘betalen, vergelden’, gälla ‘gelden’); got. -gildan in fragildan, usgildan ‘vergelden’; < pgm. *geldan- ‘ontgelden, vergoeden’.
Oorspr. werd dit sterke werkwoord vervoegd als gelden, galt, golden, gegolden. Door de Nederlandse klankovergang (alt/ald >) olt/old > out/oud (zoals in → koud) en door d-syncope (zoals bij spreektalig ouwe uit oude) ontstonden nevenvormen gout en (ge)gouden, (ge)gouwen, geguwen. Naar analogie van de infinitief en de tegenwoordige tijd kregen in het Nieuwnederlands de vormen met -ld- de overhand: gold, golden, gegolden, met gold i.p.v. gald naar analogie van golden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gelden* [meetellen, van kracht zijn] {1237 in de betekenis ‘vergelden, opbrengen, betalen, waard zijn’} oudsaksisch geldan [vergelden, betalen], oudhoogduits geltan [betalen, vergelden, offeren] (engels to yield), oudnoors gjalda [betalen, vergoeden], gotisch fragildan [vergelden] → geld1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gelden ww., mnl. ghelden ‘kosten, gelden’ verder ‘betalen, vergelden, belonen, ontgelden, opbrengen’, os. geldan ‘betalen, vergelden’, ohd. geltan ‘betalen, vergoeden, vergelden, offeren’, ofri. jelda ‘betalen, vergelden, weergeld betalen, waard zijn,’ oe. gieldan (ne. yield) ‘betalen, vergelden, offeren’, on. gjalda ‘betalen, teruggeven, vergoeden, kosten’, got. fragildan ‘vergelden’. — Zie: geld 1 en gilde.

Aanknoping van dit germaanse woord daarbuiten is uiterst onzeker. Het best zijn te vergelijken osl. žle͂da, žle͂sti ‘vergelden, betalen, boeten’, maar volgens Stender-Petersen, Slav.-germ. Lehnwortkunde 1927, 325 zou dit zelf uit het Germ. herkomstig zijn (IEW 436). — De verbinding met gr. télthos ‘einddoel’ (Osthoff IF 4, 1894, 269) is hoogst onzeker; grondvorm zou dan zijn geweest *gheldh- en het verlies van de w in het germ. zou moeten worden toegeschreven aan vormen als guldum, guldans.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gelden ww., mnl. ghelden “kosten, gelden”, veel vaker “betalen (nog vla.), vergelden, beloonen, betaald zetten, ontgelden, opbrengen”. = ohd. gëltan “betalen, vergoeden, vergelden, offeren” (nhd. gelten), os. gëldan “betalen, vergelden”, ofri. jëlda “betalen, vergelden, vergoeden, weergeld betalen, waard zijn”, ags. gieldan “betalen, vergelden, offeren” (eng. to yield), on. gjalda “betalen, teruggeven, vergoeden, vergelden, kosten”, got. fra-, us-gildan “vergelden”. Misschien zijn ier. gell “pand”, gellaim “ik beloof” verwant. De beoordeeling van de combinatie met gr. opheílō “ik ben schuldig”, télthos “belasting” hangt af van onze opvatting over de representatie van idg. gh in ’t Germ.; is die combinatie juist, dan is de germ. d, idg. dh formantisch. Obg. žlědą, žlěsti (žlasti) “schuldig zijn, betalen”, lit. geliů’ti “gelden” komen uit ’t Germ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gelden. Alle combinaties buiten het Germ. onzeker. Over de kelt. woorden zie bij gijzelaar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gelden ono.w., Mnl. id., Os. geldan + Ohd. geltan (Mhd. en Nhd. gelten), Ags. gieldan (Eng. to yield = toegeven), Ofri. jelda, On. gjalda (Zw. gälla, De. gjælde), Go. gildan = vergoeden: niet buiten het Germ. ; Osl. žlědą, Lit. geliůti, Lett. geldet zijn ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gelle (ww.) gelden, meetellen; Vreugmiddelnederlands ghelden <1237>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2geld ww.
1. Krag of invloed laat voel. 2. Van krag wees, van toepassing wees. 3. Beskou, geag word.
Uit Ndl. gelden (16de/17de eeu). Mnl. gelden slegs in die bet. 'betaal, vergoed; ontgeld', 'n bet. wat tot in die 17de eeu voortgeleef het. Die bet. 'betaal' impliseer dat iets 'n sekere waarde het, met die afgeleide begrippe wat daaruit voortvloei. Die betekenisontwikkeling van gelden toon ooreenkoms met die betekenisontwikkeling van betalen. Vroeër is gelden gebruik vir wat tans betalen verg, en omgekeerd is vroeër betalen gebesig waar tans gelden vereis word.
D. gelten, Eng. yield 'oplewer', Sweeds gälla.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gelden ‘meetellen, van kracht zijn’ -> Zweeds gälla ‘betreffen, aangaan, van belang zijn, gezien worden’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

verwikkeling [het verwikkelen of verwikkeld-worden, moeilijkheid, geschil] (1831). Het woord verwikkeling wordt voor het eerst genoemd in de Handelingen van de Staten-Generaal uit 1831, waarin sprake is van “staatkundige verwikkelingen”. In 1898 schreef neerlandicus Jan te Winkel in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898 over nieuwe uitdrukkingen en woorden in het Nederlands: “Uitdrukkingen, die [Nicolaas] Beets op het Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam in 1865 nog als neologismen belachelijk kon maken, schijnen ons overoud, zooals zelfzucht (voor eigenliefde), het welslagen (voor “de goede uitslag”), verwikkeling (dat omstreeks 1830, maar toen nog slechts in de schrijftaal, is ingevoerd), persoonlijkheid (voor persoon), richting (voor partij), halfheid, enz. Ook adjectieven, als passend (voor gepast), onhoudbaar (voor onverdedigbaar), ongenietbaar (voor “geen genot opleverend”, terwijl het vroeger synoniem was van oneetbaar) en onbewust (voor onmerkbaar of ook voor onopzettelijk). Ook werkwoorden, als vergemakkelijken (voor “gemakkelijker maken”), beheerschen, gelden voor (voor “doorgaan voor”), in ’t leven roepen (voor “maken”), ergens in opgaan, enz. Onder de nieuwe modetermen rangschikte hij toen ook: geen idee van, geen sympathie voor iets hebben.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gelden* meetellen, van kracht zijn 1237 [CG I1, 32]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut