Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geld - (betaalmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geld zn. ‘betaalmiddel’
Onl. allum diobolgelde (datief) ‘elk offer aan de duivel, iedere gift aan de heidense god’ [776-800; CG II-1, 32]; mnl. ghelt ‘bedrag’ [1254; CG I, 60], om eene scult van gelde ‘om een geldschuld’ [1285; CG II, Rijmb.], gheld ‘bedrag’ [1293; CG I, 1946], gine sult niet besitten gout noch zelver noch gelt in bigordelen ‘je mag geen goud, zilver of geld in je geldtas hebben’ [1332; MNW-P].
Afleiding van de wortel van → gelden in de betekenis ‘kosten, betalen, vergoeden, vergelden’, zie ook → gilde. De betekenis ‘betaalmiddel’ is secundair. Oorspr. was het een soort betaling in natura of vergelding aan de gemeenschap. Het werd ook als naam voor een gemeenschappelijk offer gebruikt.
Os. geld, gild, gield ‘vergelding, loon, betaling, offer’; ohd. kelt, gelt ‘vergelding’ (mhd. gelt, nhd. Geld); ofri. jeld ‘geld, betaling’ (nfri. jild); oe. gield ‘betaling, schatting, offer, broederschap’ (ne. gelt (slang) ‘geld’), on. gjald ‘betaling, boete, schuld, schade’(nzw. gäld ‘betaling, schuld’); got. gild ‘belasting, vergoeding, betaling’; < pgm. *gelda- ‘ontgelding, vergoeding’.
geldbeugel zn. (BN) ‘portemonnaie’. Nnl. Jan is zijnen geldbeugel gepierd ‘men heeft Jan zijn beurs ontstolen’ [ca. 1885; WNT pieren IV]. Een verouderd purisme, gevormd uit geld en → beugel in de betekenis ‘tas’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geld1* [betaalmiddel] {gelt, geld [vergelding, betaling, geld] 1253} oudsaksisch geld [betaling, vergelding, offer], oudhoogduits gelt [betaling, geld], oudfries jeld [betaling, geld], oudengels gield [betaling, offer, broederschap], oudnoors gjald [betaling, schuld], gotisch gild [betaling, belasting]; de oorspr. betekenis is de bijdrage aan het gemeenschappelijke offer en de rituele maaltijd, waaruit die van de broederschap en die van de betaling zich ontwikkelden. De huidige betekenis kreeg het pas na het slaan van munten. De uitdrukking geen geld, geen Zwitsers slaat op de vroegere, in grote delen van Europa ingehuurde Zwitserse soldaten. Toen in 1521 Frans I van Frankrijk zijn Zwitsers niet kon betalen, zou hun bevelhebber gereageerd hebben met Point d'argent, point de Suissegelden, gilde.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

geld

Het woord geld voor: wettig betaalmiddel hoort bij het werkwoord gelden, dat oorspronkelijk betekende: betalen en waarmee ook weer het woord gilde verwant is. De betekenisovergang is daar: betaling, betaling voor een feestmaal, het feestmaal zelf, de vereniging die feesten geeft, de broederschap.

Een merkwaardige verkleiningsvorm van geld is: gelletje dat men in een paar zegswijzen nog wel tegenkomt. Men zegt dat iemand een meisje trouwt ‘niet om haar velletje, maar om haar gelletje’ en ook: ‘als ’t huwelijk is om ’t gelletje, dan wordt het vaak een helletje’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geld 1 znw. o., mnl. ghelt ‘betaling, vergelding, geld’, os. geld ‘betaling, vergelding, offer’, ohd. gelt ‘betaling, vergoeding, rente, inkomen, geld’, ofri. jeld ‘betaling, geld, weergeld’, oe. gield ‘betaling, schatting, offer, broederschap’, on. gjald ‘betaling, boete, schuld, schade’, got. gild ‘betaling’. — De huidige betekenis is jong en eerst ontstaan na het slaan van munten. Oorspronkelijk betekent het ‘de bijdrage aan de gemeenschappelijke offers of betalingen aan de gemeenschap’ (zoals weergeld). — Zie: gelden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geld I znw. o., mnl. ghelt(d) o. “betaling, vergelding, geld”. = ohd. gëlt o. “betaling, vergoeding, rente, inkomen, geld” (nhd. geld), os. gëld o. “betaling, vergelding, offer”, ofri. jëld o. “betaling, geld, weergeld”, ags. gield o. “betaling, schatting, vergoeding, offer, broederschap”, on. gjald o. “betaling, vergoeding, boete, schuld, schade”, got. gild o. “belasting”; de bet. “geld” is speciaal du.-ndl.-fri. uit “betaling” ontstaan. Oergerm. znw. bij gelden. Vgl. ook gilde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geld 1 o. (munt), Mnl. ghelt, Os. geld + Ohd. gelt (Mhd. id., Nhd. geld), Ags. gield (Eng. yield), Ofri. jeld, On. gjald (Zw. gäld, De. gjæld), Go. gild, met de algemeene bet. van vergoeding, belasting, verbaalabstr. van gelden (z.d.w.); de bet. munt is jong.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1geld s.nw.
1. Betaal- of ruilmiddel. 2. Geldsom.
Uit Ndl. geld (Mnl. gelt), 'n afleiding van die Mnl. ww. gelden 'betaal' (sien 2geld), dus lett. 'betaling, betaalmiddel'. Die huidige bet. het ontstaan na die slaan van munte.
D. Geld, Eng. geld ''n Kroonbelasting', Goties gild 'belasting', Sweeds gäld 'skuld, geldsom'.
Vgl. gilde.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Geld snw. Segsw. Julle pla my meer as my geld, skertsend gebruik teenoor persone wat jou lastig val. – Ter Laan 244: “Doe plagst mie meer as mien gḕld (teen kinderen die lastig zijn).” Eckart 409: Do plogs mich mih als mi Geld. R(heinprovinz). Sien ook Ndl. Wdb. XII, 2176, waar die sprekwyse uit Marin aangehaal word.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geld (geen --, geen Zwitsers) (vert. van Frans point/pas d’argent, point/pas de Suisses); (je -- of je leven) (vert. van Engels your money or your life)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geld, van den Germ. stam gelth: opbrengst, gift, vooral voor een offer; later kreeg het de bet. van betaalmiddel (oorspr. was ’t betaalmiddel vee, Got. faihu, zoodat dit laatste ook bet.: rijkdom); gelden was toen dus: in betaling geven, later: waard zijn, kosten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geld ‘betaalmiddel’ -> Engels gelt ‘betaalmiddel’ (uit Nederlands of Duits); Frans † guelte ‘percentage dat een bedrijfswerknemer krijgt, proportioneel aan de verkopen’; Zuid-Afrikaans-Engels geld ‘betaalmiddel’ ; Negerhollands geld, gelt ‘betaalmiddel’; Skepi-Nederlands galti ‘betaalmiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geld* betaalmiddel 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

grote geld, het (← Am.-Eng. the big money), het grote kapitaal; enorme sommen geld. Informeel.

De belangen van zijn museum moesten wijken voor de belangen van het ‘grote geld’, de sponsors. (HP/De Tijd, 21/12/90)
Ze kennen geen schrik, geen angst en ze zien allemaal het grote geld. (Sport International, mei 1992)
Banks maakt zich zorgen omdat ‘het grote geld steeds meer fans van de sport dreigt te vervreemden’. (NRC Handelsblad, 08/08/97)
Ik heb al duizend aanbiedingen gehad om uitverkoop te houden, en soms moet je sterk zijn om de lokroep van de gemakzucht en het grote geld te weerstaan. (Nieuwe Revu, 15/10/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

382. Bulken van het geld,

d.i. zeer rijk zijn, overvloedig geld bezitten. Volgens het Ndl. Wdb. III, 1878 is de oorspr. bet. van het ww. bulken in deze uitdrukking waarschijnlijk die van boeren, oprispingen loslaten, in welken zin het in verschillende dialectenMolema, 49; Bergsma, 64; Gallée, 6; Hoeufft, 91. nog voorkomt. Syn. is stinken van 't geld (zie Falkl. IV, 163; daveren van 't goud (Staring, Ged. 2, 33). Zie Harreb. I, 221; Krat. 188; Nest. 48.

105. De appelman (of het appelmannetje) komt om zijn geld.

Halma, bl. 34 omschrijft de beteekenis dezer zegswijze aldus: ‘De appelman koomt om zijn geld: spreekwoord dat gebruikelijk is tegen die genen die in 't najaar ziek worden, omdat zij te veel vrugten gegeten hebben’. Zie ook Tuinman I, 112; 127; Harrebomée I, 17. Zij komt in de 17de eeuw voor bij Smetius, 60; Hondius, Mouf. 180; Cats II, 384 b:

 Koom, pluckt nu met'er handt, en eet met volle kaken,
 Maar wilt et niet te grof, of niet te gulsig maken...
 Maar denckt oock boven dat, hoe seer het is te schromen,
 Dat eens den appelman staat om sijn gelt te komen.

Thans is de uitdr. weinig meer in gebruik. Volgens Onze Volkstaal II, 238 leeft zij nog in Limburg, waar men zegt: het appelmenneke kumpt om zie geldj. Vgl. ook Loquela, 22: Appelman, onpasselijkheid die voorkomt van te veel appels, te veel peren of zulkdanige vruchten te eten; de appelman, het appelmanneke komt om zij' geld, zegt men tegen jongens, die ziek zijn van te veel appels of van onrijp ooft g'eten te hebben; bl. 55: De bezeman (bessenman) komt om zijn geld; Volkskunde X, 98: 't Is fruitmanneken dat om zijn geld komtKan achter deze benaming een mythologisch begrip schuilen, evenals bij aardmannetje, kaboutermannetje (hd. heinzelmännchen), zandmannetje, akkermannetje (Hoeufft, 715)?; 't Daghet XII, 192: Het appelmanneke komt voor de stelen; fri. it appelmantsje komt om syn jild.

537. Eieren (of appelen) kiezen voor zijn geld,

d.w.z.: ‘in plaats van het geld, dat men vordert of te vorderen heeft, eieren of appels, d.i. naar het vroeger taalgebruik, dingen van weinig waarde kiezen; bij uitbreiding: zich met minder tevredenstellen dan men aanvankelijk eischte: t.w. om althans iets te krijgen’; ook: zich uit vrees in den hoek laten jagen (Ndl. Wdb. IV, 1062). Vgl. Nav. 1898, 447, waar gewezen wordt op de Kleyne Cronycke van Jan Adr. Leeg-Water (anno 1575), die vertelt, dat in den tijd van zijne grootmoeder ‘het Mael-loon van een sack zaedt was een oortjen: ende die Luyden en konden dicwils geen oortjen by malkander versamelen, moesten daerom noch Eyeren uyt het nest nemen om het Mael-loon daer mede te betalen.’ De schaarschte van geld was in Friesland onder Karel V zoo groot, dat men hierin voorzag door met eieren te betalen; 32 eieren golden éen stuiver. Het wasschen van de hoofddoeken der rijke boerinnen kostte éen eiTijdschrift v.h. Nederl. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, 1897, 57 en 170-172.. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij Smetius, 234: Hij sal wel eijer voor het gelt nehmen, mitius aget quam prae se fert; in de Prov. Comm. 770: Voer oude scout nemt men haver; Bebel 77: pro veteri debito accipimus stramen avenae; dit ook bij De Brune, 99 en Tuinman I, 137: Voor oude en onwisse schulden, neemt men haverstroo; fr. d'un mauvais débiteur et payeur prends paille et foin pour ton labeur; Wander IV, 365: für alte Schuld nimmt man auch Bohnen (Hafer)stroh; Tuinman I, 53: hy zal wel appelen voor 't geld kiezen; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 2, k. 3: De meisjes wilden met de nieuwe regeling geen genoegen nemen en zegden gezamenlijk het werk op. Na zoo'n krachtig verzet koos de firma eieren voor haar geld en blijft de oude loonregeling gehandhaafd; De Arbeid, 5 Nov. 1913, p. 2: Het personeel bleef op zijn stuk staan; met dit gevolg dat de vertegenwoordiger der directie eieren voor zijn geld koos, en zegde onderhandeling toe; Nkr. VII, 4 Jan. p. 2: Gelukkig is Heemskerk geen heethoofd en koos hij eieren voor zijn geld. In het eng. to take eggs for (one's)money, een slechten ruil doen.

647. Tijd is geld.

Eene vertaling van het eng. time is money (18de eeuw), waarmede bedoeld wordt, dat wie met den tijd, dien hij heeft, zijn voordeel weet te doen, geld kan verdienen. Reeds Theophrastus (± 300 v. Ch.) zeide πολυτελες αναλωμα ειναι τον Χρονον, dat tijd eene kostbare uitgave is; zie Büchmann, 351.

1595. Een goede naam is beter dan olie.

Deze spreuk is ontleend aan Pred. VII, 1: Beter is een goede name dan goede olie. Zie Ndl. Wdb. IX, 1368, alwaar een plaats uit de 17de eeuw wordt aangehaald en vgl. verder Jord. 65: Annemie van Ariestront-an-'t-sweepie.... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg; Harreb. II. 113, waar als variant wordt opgegeven: een goede naam is beter dan geld (of een zilverkraam); Wander III, 872-873.

641. Geld als water verdienen ( of hebben),

d.w.z. zeer veel geld verdienen of hebben, eene in ons waterland zich zelf verklarende uitdrukking; zie C. Wildsch. I, 285. Bij Harrebomée I, 221 staat ook opgeteekend: hij heeft geld als slijk en hij wint geld als salade. Misschien mag ook vergeleken worden: zoo rijk als 't water van de zee (Brederoo, III, 231, 21) en hij is zoo rijk als 't water diep is (Tuinman II, 137). Volgens Joos zegt men in Vlaanderen geld hebben gelijk zaad, zand; geld winnen gelijk hooi, water, slijk; vgl. Teirl. 465: geld winne gelijk more (modder), gelijk slijk; Schuermans, Bijv. 92: ik heb geld zoo lang als hooi in de omstr. van Gent); Borchardt no. 560: er hat gelt wie heu, wie mist, wie schlamm, en Sewel 192: hy heeft geld als drek (nog in Twente en Limburg); eng. to have money like dirt naast to spend money like water (Prick, 31); hd. Geld als Dreck haben; oostfri. geld as schite, geld as hei, man nêt fulup so lank (Dirksen I, 33).

642. Geld bij de visch!

d.w.z. dadelijk, contant betalen, boter bij de visch (zie no. 324). In de 17de eeuw was deze zegswijze bekend, zooals blijkt uit Coster 33, vs. 707:

Jan Soet: 'k Selmen metter haest in de klieren gaen steecken,
En volgheje datelijc, maer weetje watter is?
Bely: Jae'ck, se het een paer paerden te koop, maer ghelt bij de visch.

Zie ook Van Moerk. 418; De Brune, 335: Gheld by de vis, dat gaet niet mis; Paffenr. 64; Sartorius I, 8, 95 en 99: hy wilt gelt by de visch. De zegswijze komt overeen met geld bij de leverancie, dat we lezen bij Winschooten, 135. Vgl. nog Sewel, 895: Geld by de visch, ready money; Harreb. I, 83; in het fri.: jild (bûter) by de fisk of jild op 'e fingerseinen (= eng. to pay down on the nail); in het Waasch Idiot. 243 b: geld bij de boter (evenzoo Teirl. 465).

643. Geld in 't water werpen (of smijten),

d.w.z. het geld onnut uitgeven, het verspillen aan eene roekelooze of dwaze onderneming. Zie Sart. I, 5, 11: in aqua sementem facis, ghy werpt het Gelt in 't Waeter. Ook Hooft gebruikt deze zegswijze in zijne Brieven, 107: Doch 't komt nu op 't verwerven van 't privilegie aan (voor de uitgave van Het leven van Hendrik den Groote). Daar ik nochtans ducht dat de drukker zijn gelt in 't waater werpt. Zie verder Breughel no. 33; Vierl. 15; Huygens, Hofwijck, vs. 75: k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by gevall; vs. 1729: Het goud en was in 't water niet geworpen; Van Effen, Spect. X, 28; C. Wildsch, I, 331; Waasch Idiot, 243 b; Antw. Idiot. 1705: geld in 't water smijten, gooien, roeien, wörpen; Wander I, 1520: das Geld zum Fenster hinaus werfen (vgl. Nkr. VII, 18 Jan. p. 6: de centen uit het raam gooien); fr. jeter l'argent par les fenêtres; eng. to make ducks and drakes of one's money; hd. sein Geld ins Wasser werfen.

644. Het geld groeit me niet op den rug,

d.w.z. ‘ik moet voor het geld hard genoeg werken, ik kom er zoo makkelijk niet aan.’ In de 17de eeuw voorkomende bij Smetius, 57: Het gelt wasst mij op den rugghe niet; Asselijn (ed. De Jager), 337:

Jou luie vod als je bend, en daar het ze me gisteren weer een mingeles bierkan ebrooken,
Ze kost me moy elf stuivers aan geld; wat mienje dat et geld mien op de rug wast?

Ook bij Tuinman I, 324 staat de zegswijze vermeld: 't Wast my op den rugge niet; vgl. nog Kalv. I, 158; Uit één pen, 143; Ndl. Wdb. XIII, 1585; Antw. Idiot. 463; Teirl. 465: t geld en groeit op mijne rugge (of op mijne kop) niet; Waasch Idiot. 243 b; fri. it jild waechset my net op 'e rêch; Wander I, 1519: das Geld fällt mir nicht aus dem Aermel, aus dem Arsche.

645. Goed geld naar kwaad geld gooien (werpen, smijten),

d.w.z. ‘nuttelooze kosten maken voor een doel, waarvan men voorzien kan dat het niet te bereiken is; als oninbare posten, een proces dat niet gewonnen kan worden, eene onderneming die onmogelijk slagen kan, enz.’ Zie Ndl. Wdb. IV, 1057; VIII, 638; Smetius, 110: Men moet gheen goet gelt naer quaet gelt werpen; Tuinman I, 225; Schuermans, 144: goê geld achter kwaâ geld smijten; Antw. Idiot. 462: goed geld naar kwaad geld dragen.

Onder kwaad geld verstaat men eigenlijk slechte munt, geld van geringe waarde (Antw. Idiot. 729; vgl. ook Claes, 127: voor kwaad spelen, om niets spelen, niet om geld spelen, tegenovergestelde van voor goed spelen), doch in een zegswijze als ‘daar is kwaad geld bij’, wil men er mede te kennen geven, dat eene bezitting of eene zaak met schulden bezwaard is of in Belg. Brab. dat men geld moet geven als schadevergoeding. Zie ook Antw. Idiot. 462: ievers kwaad geld van betalen, met eene geldboete gestraft worden; Tuerlinckx, 353: kwaad geld, onkosten, verhooging op de koopsom; De Bo, 352; Taal en Letteren XIII, 136; Waasch Idiot. 380 a: kwaad geld, geld waar geen profijt van komt, en vgl. nog het Friesch: kwea jild, geld, dat men waarschijnlijk niet zal terug ontvangen, ook verlies bij een verkoop; goed jild by kwae jild lisse; fr. mettre du bon argent contre du mauvais; hd. das gute Geld dem bösen nachwerfen; eng. to throw good money after bad.

646. Geen geld, geen Zwitsers,

d.w.z. zonder geld krijgt men geen hulp of geen koopwaar; syn. van niet langer pijp niet langer dans (Halma, 504); eng. no longer pipe no longer dance. ‘Het dragen der wapenen is bij den Zwitser een beroep, en van daar, dat hij bij elken Europeeschen monarch in dienst treedt, zoo deze hem zijne soldij geeft. Wordt de soldij niet voldaan, dan acht hij zich ontslagen. Toen dus Frans I, bij de belegering van Milaan door Karel V, in 1521, zijne Zwitsersche hulpbenden niet kon betalen, gingen zij naar huis onder het zeggen: Geen geld, geene Zwitsers. Sedert ontstond dit spreekwoord’; aldus Harrebomée I, 218 b. Vgl. hd. kein Geld (oder Kreuzer), keine Schweizer (18de eeuw) (oder Paternoster, keine Messe); het fr. point (ou pas) d'argent, point (ou pas) de suisse ou point de valet, waarvoor we bij Campen, 9 lezen: nummer geldt, nummer gesel (Spieghel, 294: niet meer gheldt, niet meer ghezelle; Wander I, 1503: nimmer gelt, nimmer gesell). De fr. zegswijze, waarin Suisse in de bet. van concierge gebruikt wordt, komt voor in Racine's les PlaideursL. Martel, Petit recueil des proverbes français, 166; Hatzfeld, 2094; Wander I, 1500; Zeitschr. für D. Wortf. IX, 310.. Zie Tuinman II, 114; C. Wildsch. I, 52 en vgl. Ons Volksleven VI, 96: geen oordjes, geen mastellen (in Klein-Braband), d.i. geen geld, geen broodjes, koekjes, waar. In het eng. no penny no paternoster; no pay no play; fri. gjin jild, gjin bargen (varkens).

1578. Munt uit iets slaan.

Hetzelfde als geld uit iets slaan, er geld aan weten te verdienen; in fig. zin: zijn voordeel met iets doen; het practisch toepassen; mnl. gelt ute iet cnopen. Vgl. De Arbeid, 13 Mei 1914, p. 1 k. 2: Maar als de arbeiders willen trachten munt te slaan uit den bloei der industrie, dan staan zij tegenover drie vijanden; B. Huet, Land v. Rembrandt II2, 372: In de geschiedenis van Noord-Nederland is eene eigen burgerlijke poëzie ontstaan, die, zich van hare platheid niet bewust, met ongeëvenaard gemak de algemeene denkwijs op rijm brengt en munt slaat uit eene beeldrijke taal; Handelingen der St. Gen. 1913-1914, kol. 2249: Hoe hij daaruit zeer valsche politieke munt heeft trachten te slaan; Handelsblad, 20 Oct. 1913, p. 1 k. 2: De sociaal-demokraten trachten er thans munt uit te slaan dat mr. D. de candidaat der concentratie tot de vrijliberalen behoort; Het Volk, 14 Oct. 1913, p. 1 k. 1: Het Octobernummer is in hoofdzaak gewijd aan het slaan van politieke munt, van niet te best allooi, uit de kabinetskrisis van dezen zomer; p. 5 k. 4: Dat dit christelijke blad uit deze van overtuigingsmoed getuigende daad van de onderwijzers munt zou slaan tegen de openbare school, mag niet verwonderen; Het Volk, 22 jan. 1914, p. 1. k. 4; Ndl. Wdb. IX, 1241; Villiers, 84. Ook pasmunt slaan uit in Het Volk, 9 April 1915, p. 1 k. 3: Dit blijkt op nieuw dat wie uit dit feit pasmunt wil slaan voor het politieke christendom, zijn toevlucht moet nemen tot den grofsten zwendel; 19 Aug. 1915, p. 1 k. 1: De pers van onze tegenstanders blijkt van oordeel, dat uit de houding der sociaal-democraten ten opzichte van de Landstormwet, eenige politieke pasmunt is te slaan. Vgl. fr. battre monnaie avec qqch., l. battre monnaie de qqch.; hd. Kapital aus etwas schlagen; eng. to make capital out of anythingIn dieventaal beteekent munt slaan iemand tegen de slapen slaan; vgl. Jord. II, 298: Om hen daar te laten besluipen en overvallen door een monstergemeenen vechtpooier, die de slachtoffers munt sloeg; vgl. Köster Henke, 47: Smak hem munt, werp hem tegen den grond..

2252. Niet (of geen geld) terug hebben van,

op iets geen antwoord weten te geven, vooral met betrekking tot eene beschuldiging of eene terechtwijzing; van iets geen verstand, geen begrip hebben; er niets van moeten hebben, - willen weten; vgl. Het Volk, 14 April 1914 p. 13 k. 2: Daar had ‘Het Volk’ natuurlijk niet van terug; en de Enschedesche korrespondent ook niet; 17 Febr. 1914, p. 6 k. 3: En met feiten en cijfers demonstreerde hij de strijdbaarheid en financieele draagkracht van den modernen bond. De stumpers van A.E. hadden er niet van terug; 7 Maart 1914 p. 6 k. 2: Aldus streek onze partijgenoot erop. De wethouder had er weinig van terug; 18 Oct. 1913 p. 5 k. 1: Dan volgen er in den regel 'n reeks voorbeelden, waarmee hij z'n stelling argumenteert en waarop ik meestal geen geld terug heb; De Arbeid, 18 Febr. 1914 p. 3 k. 2: Bouwman kwam in z'n repliek met een brief van H. Polak op de proppen - Drop had niets terug; 1 Aug. 1914, p. 2 k. 3: Wie heeft daarvan nu iets terug? De Telegraaf, 20 Dec. 1913 (ochtendbl.) p. 3 k. 5: Het slotwoord (van een tooneelstuk) ‘Maar zoo iets doet men niet,’ klopte volkomen met den toestand. Met evenveel succes had hij kunnen zeggen: Daar heb je niet van terug (daar kun je niets van); Nkr. VI, 24 Febr. p. 3; VII, 15 Maart p. 2; VIII, 25 April p. 2: Zie je Janus, zulke dingen kan ik vertellen. Heb je soms daarvan terug? Man ik sta perplex; Nw. School, VII, 246: Van Latijn heeft Q niet terug. Hij laat het bijna altijd links liggen; VIII, 422: Ik heb gezegd, dat we hier in Holland scháteren als we horen van de ‘nieuwe paedagogiese ideeën.’ Heeft de heer Nawijn dáár van terug? Jord. 396: Fen sau'n mèskeroade hep ikke nie terug; Handelsblad, 8 Sept. 1914, p. 2 k. 2 (O): Engelschen daar heb ik niet van terug - zei hij. Ze zijn verschrikkelijk lastig zooveel honneurs als ze over zich hebben; ze denken dat dit huis van Engeland is; Handelsblad, 5 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 1; enz. Vgl. eng. to give a p. his change, iemand behoorlijk op zijn plaats zetten. Als variant komt voor: niet kunnen wisselenDe Telegraaf, 2 Juni 1914 (avondbl.) p. 7 k. 1. of geen klein geld terug hebben van iets.

1847. Poen,

d.w.z. een patser, een ploertOorsprong onbekend., een opschepper. De eigenlijke beteekenis en de afleiding van dit woord zijn onbekend; waarschijnlijk is het ontleend aan de dieventaalW. de Vries houdt het voor ontleend aan het Javaansch, waar het gebezigd wordt vóór eigennamen van personen, die geen anderen titel hebben; vgl. sinjeur (zie Tijdschrift XXXVIII, 284).. Vgl. Köster Henke, 54: Een poen, een opschepper, een gemeene vent; poenbroekie, broek, zooals de jongens op den zeedijk dragen (Jord. II, 459); poengassie, pet; Zondagsbl. v. Het Volk, 6 Juni 1914, p. 2 k. 2: Jaap keek hem vol weerzin en wrevel aan: wat een poen was die Gijs eigenlijk, om te denken dat ie zo maar gemoedereerdDit woord wordt ook aangetroffen in Menschenw. 331; Lvl. 316: Ik kwam gemoedereerd de trap op; Boefje, 7; Diamst. 142: 'k Loop gemoedereerd leeg - al drie dage bin 'k an 't afgaan; Prikk. II, 13: Zij vonden hem heel gemoedereerd bezig het radium op te bergen; Nw. School, II, 143: Die meid, hè, die liet maar gemoedereerd de inktmoppen van d'r pen vallen; V.v.d.D. 80: Van die beest-kerels, die voor vier of vijf borrelcenten iemand op straat gemoedereerd 'n ongeluk hadden geslagen: Nkr. V, 27 Mei p. 2; VII, 11 Oct. p. 2; enz Gunnink, 133: doodgemoedereerd; even zoo Jord II, 87: Die juffer zette hem doodgemoedereerd op zijn knar; bl. 270; 373. Vgl. Ndl. Wdb. IX, 910, waar de opmerking gemaakt wordt, dat gemo(e)dereerd, volt. deelw. van modereeren, fr. modérer, wellicht hier wordt opgevat als gelijkstaande met het vroegere moderaat, gematigd, kalm een kwartje uit ze moeders portemenée zou gappe; A. Jodenh. II, 8: Ziene we nou dat-ie te veel poen is dan komt-ie d'r (een dansclub) nie in; Nw. School, VIII, 214: De grootste poen van een caféhouder zou nog zoveel praatjes niet hebben; Falkl. V, 224: Een dandy, 'n hartenbreker, 'n poen; geldpoen, rijkaard; perspoen, verslaggever (Lvl. 11); poenig (Jord. II, 13; Dukro, 141; Nw. School, VII, 183; Nkr. V, 26 Febr. p. 3).

Hiernaast komt sedert de 17de eeuw een znw. poenGünther, 34 vraagt of dit eene samentrekking van lat. pecunia, geld, zijn kan. voor in den zin van geld, splint (dit in Jord. II, 378); zie De gelukte list of de bedrooge mof, 2de druk 1704, bl. 22: Doktme de helft van poen dan; J. v. Hoven, Schildery v.d. Haagsche Kermis, 1715, bl. 11: De jongens ziet men al haer Kermisgeld versnoepen, zo lang tot al haer poen haas-op is; Kluchtspel, 3, 282; Rotgans, 54; Halma, 511: Poen, geld, in de Borgoens of gaauwdiefs taal; Sewel, 645; Asschenbergh, Poëzy, 97: Jy weet wy hebben ryklyk poen; Jord. II, 146: Dat beest wou geen poen, die zorgde wel voor zijn eigen loon; bl. 182; 312; 372; 515; V.v.d.D. 18: 'n Lekkere jonge ben jij as vriend.... nogal tof as 't op poen ankomp; Harreb. II, 190: Om de poen is 't al te doen; Köster Henke, 54; V. Ginneken II, 109: blanke poen, zilvergeld; Teirl. Barg. 55; Schuermans, 493; De Bo, 877: geen poen hebben; poen dokken, geld geven, betalen; Waasch Idiot. 529; Kluge, Rotw. 169 (anno 1687): geld, punAndere benamingen voor geld zijn: bezommen, lood (Leersch. 98) ook in de samenstelling loodpot, (o.a. Menschenwee, 33; 219; 345; 365; 406; 408) en loodgebrek (Opr. Haarl. Cour. 11 April 1923, p. 1 k. 5), moem, monnie (eng, money), molm (vgl. molmboer in Peet, 84), moos (zie no. 1569), moppen, schrabbes (V. Ginneken II, 141), philippus (in Onze Volkstaal, 3, 197 b).. (Aanv.) 't Waarschijnlijkst lijkt de afl. van het hebr. melech ponem, koningsgezicht, beeldenaar, munt (vgl. eng. the king's picture).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut