Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelatine - (geleiachtig eiwitpreparaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gelatine zn. ‘geleiachtig eiwitpreparaat’
Vnnl. gelatine ‘gelei’ [1599; Kil.]; nnl. in eene verzadigde oplossing van gelatine (van vischlijm of van beenlijm) [1842; WNT Aanv.]. Eerder al mnl. galentine, galentijn ‘(vis of vlees in) gelei’, zoals in van galentine ende zalme jeghens die feeste te Brugghe ‘voor zalm in gelei voor de Brugse feesten’ [1331; MNW]; vnnl. galentijn tot snoecken ende palingen ‘gelei voor snoek en paling’ [1599; WNT snoek I]; nnl. galantine “koud vlees met dril” [1966; Koenen].
Eerst ontleend aan Frans galantine, eerder al galentine, een variant van galatine ‘vis in gelei, saus’ [ca. 1223; Rey], wrsch. ontleend aan het Oost-Romaanse dialect van de havenstad Ragusa (het huidige Dubrovnik) aan de Dalmatische kust, in de Middeleeuwen een exporthaven van vis in gelei, en waar in het middeleeuws Latijn galatina ‘vis in gelei’ is geattesteerd; dat woord is een variant van middeleeuws Latijn gelatina ‘vlaai, gelei’, afgeleid van Latijn gelātus ‘bevroren’, bij het Latijnse werkwoord Latijn gelāre ‘bevriezen’, een afleiding van gelū ‘ijs, vorst’, dat verwant is met → koud. De nnl. vorm, met een iets andere betekenis, is opnieuw ontleend, aan de latere Franse vorm gélatine ‘geleiachtige stof’ [1611; Rey] < Italiaans gelatina ‘gelei’ [1250-1300; Rey], eveneens < middeleeuws Latijn gelatina ‘vlaai, gelei’.
Zie ook → gelei en → gel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gelatine [geleiachtig eiwitpreparaat] {1599} < frans gélatine < italiaans gelatina, van gelare (verl. deelw. gelatum) [doen bevriezen, doen verstijven], van gelu(s) [vorst, koude, ijs].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gelatine znw. v., sedert Kiliaen bekend < fra. gelatine (eerst 17de eeuw) is een geleerde afleiding van lat. gelāta (> nfra. gelée), eig. deelw. van gelāre ‘bevriezen’. — Zie ook: gel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gelatine znw., sedert Kil.: gelatine, galetijn. Uit fr. gélatine (van lat. gelâtus “bevroren”).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gelatien s.nw. Ook gelatine, jelatien en jelatine.
Jellieagtige stof wat o.a. by voedselvoorbereiding gebruik word.
Uit Ndl. gelatine (1599).
Ndl. gelatine uit Fr. gélatine uit It. gelatina, met lg. van gelatum, die verlede dw. van gelare 'laat bevries, laat verstyf'.
Vgl. jellie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gelatine (Frans gélatine)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gelatine ‘geleiachtig eiwitpreparaat’ -> Indonesisch gelatin ‘geleiachtig eiwitpreparaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gelatine geleiachtig eiwitpreparaat 1599 [Kil.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut