Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelag - (vertering; lot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gelag zn. ‘vertering; lot’
Mnl. gelach, gelage ‘vertering’ [1340-60; MNW] en ‘lot’ [1300-50; MNW-R], dat ware mi een goet gelach ‘dat zou een goed lot voor mij zijn’ [ca. 1410; MNW], tgelaech betalen ‘de schuld moeten voldoen, voor de gevolgen opdraaien’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. een hart gelach ‘een hard lot’ [1528; WNT wijwater], gelach ‘vertering’ [1544; MNW-R], ghelaech ‘gastmaal’ [1599; Kil.].
Afgeleid met het collectiefvoorvoegsel → ge- (sub d) van een ablautende vorm van de wortel van → liggen, of van geliggen ‘liggen, bijeenliggen’, dat met het voorvoegsel → ge- (sub f) is afgeleid van liggen. De betekenis van gelag was dus ‘wat bijeen is of wordt gelegd’, ook wel ‘(de kosten voor) de vertering’. De andere betekenis van gelag is verbonden met mnl. liggen of geliggen in de figuurlijke betekenissen ‘plaatsvinden, zich toedragen’ en ‘gelegen zijn, zich bevinden’; mnl. gelach betekende dan ‘gesteldheid, toestand, lot’. Deze betekenis bestaat nu uitsluitend nog in de uitdrukking een hard gelag ‘een hard lot’.
Os. gilag ‘bestemming, lot’; mnd. gelege, gelech, gelach ‘ drinkgelag, vertering’, mhd. gelæge, (nhd. Gelag, Gelage ‘gelag’).
Hoogduits Gelage is volgens Kluge een leenvertaling van het Latijn collātiō ‘het bijeenbrengen, bijdrage’; het bestaan van het Vroegnieuwhoogduitse leenwoord kollaz dat ‘feest’ betekent doet dit vermoeden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gelag* [vertering] {gelach, gelage [geld om op gezamenlijke kosten te eten, kosten voor gemaakte verteringen, vertering, maaltijd, drinkgelag] 1285} van middelnederlands geliggen in de betekenis van ‘samen liggen’. In de uitdrukking een hard gelag [een hard lot], middelnederlands een hart gelach, betekent gelag ‘toestand’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gelag

Er zijn twee woorden gelag, waarvan het ene verwant is met het werkwoord leggen, het andere met liggen. Gelag in de betekenis: de vertering, speciaal van een groep personen, hangt samen met leggen. Het is oorspronkelijk: het bijeengelegde (geld), wat wij op het ogenblik de pot noemen. Er is altijd iemand die het gelag moet betalen. Gelagen zetten is: drinkpartijen aanrechten, maar ook: kroeg houden.

Gelag in zegswijzen als: een hard gelag, een zwaar gelag, is afgeleid van liggen. Het betekende oorspronkelijk: ligging en vandaar: toestand, ’s Lands gelag was de situatie waarin het land verkeerde. Wij gebruiken het alleen in ongunstige zin in de betekenis van: lot, noodzaak en in het bijzonder van de noodzaak maatregelen te nemen die wij betreuren, maar die onvermijdelijk zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gelag znw. o., ghelach o. naast ghelāghe v. ‘kosten voor vertering, consumptie, feestmaal’, mnd. gelach, lach ‘verteringskosten, feestmaal’, nhd. gelage ‘feestgelag’. Men moet uitgaan van de bet. ‘wat bijeen gelegd is, om een feestmaal te kunnen houden’, evenals got. gabaur ‘feestmaal’ eig. ‘wat bijeengedragen is.’

Er is geen reden om in het woord gelag in uitdrukkingen als een hard gelag uit te gaan van mnl. ghelach ‘ligging, gesteldheid, toestand’, ofschoon os. gilagu ‘lot’ in die richting zou kunnen wijzen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gelag znw. o., mnl. gelach(gh) o., waarnaast ghelāghe v., o.a. = “kosten voor consumptie, consumptie, feestmaal”, noordmnl. ook lach o. (ook v. lāghe?) “id.”. De oudste bet. was wsch. “het bijeengelegde (voor een feest)” en ’t woord hoort bij leggen (vgl. gezag) zooals got. gabaúr m. “feestmaal” (: gabaúr o. “belasting”) bij gabaíran “bijeenbrengen”. = mnd. gelach, lach o. “consumptiekosten, feestmaal, feest”, nhd. gelag(e) o. “feestgelag”, in de late ME. nog slechts neder-rijnsch. In (een hard, zwaar) gelag ziet men gew. ’t mnl. woord ghelach o. “ligging, gesteldheid, toestand”, dat zich in bet. bij liggen aansluit, en vergelijkt os. gilagu o. mv. “lot”: mogelijk, maar niet noodig: we kunnen ook van de bet. “kosten” uitgaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gelag o., Mnl. gelach, van denz. stam als ’t enk. imp. van geliggen, en bet. 1. wat vastgelegd, besloten is, 2. inleg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gelag’ (het, -en): alleen (nog) in vergunning voor het zetten van gelagen (de, -en), tapvergunning. De Districts* Commissaris van Paramaribo brengt ter kennis van degenen, aan wie een vergunning is verleend voor het zetten van gelagen van gedistilleerd of verkoop van gedistilleerd voor gebruik elders dan ter plaatse, dat het gedistilleerdrecht, inclusief eventuele achterstanden, uiterlijk op 15 april 1981 moet zijn voldaan (DWT 6-4-1981, in adv.). - Etym.: In veroud. AN gelag = eet- en drinkpartij (Van Dale). Veroud. AN ‘gelagen zetten’ = ‘drinkpartijen aanrichten, er gelegenheid toe geven; bij uitbr. eene kroeg houden’ (WNT 1889, met cit. van de laatste bet. van ± 1811); bij Van Dale ruimere bet.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gelag* vertering 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

639. Het gelag betalen.

Onder het gelag verstond men de vertering in een herberg gemaakt; in eigenlijken zin wil de uitdr. dus zeggen ‘de vertering betalen hetzij zijn eigene, of ook die van anderen, met wie men in gezelschap geweest is, zoodat men deze vrijhoudt. Bij overdracht de straf van anderen dragen, boeten, hetzij voor hetgeen men met anderen misdreven heeft, hetzij voor datgene waaraan alleen anderen schuld hebben, en wel zóo dat deze vrijblijven; er voor opdraaien’.Oorspronkelijk wil gelag als afleiding van geleggen, samenleggen, zeggen ‘het door eenige personen bijeengebrachte geld, om op gezamenlijke kosten te eten en te drinken’ en vandaar de kosten voor de gemaakte vertering. Vgl. Kil. 163: ghe-lag, sive ghe-laegh à legghen i. ponere: quod quisque suam partem apponat et conferat; het fr. écot, gelag, gezelschap, krans, van germ. schot, geldelijke bijdrage (vgl. schot en lot). In dezen zin komt t(ge)lach betalen, tghelach gelden sedert de Middeleeuwen voor. Zie het Ndl. Wdb. IV, 1038; II, 2197; Mnl. Wdb. II, 1185 en vgl. het fri.: it gelach bitelje of de pot fortarre. Synonieme uitdrukkingen waren of zijn voor het gelag blijven; de ballen betalen (Gew. Weuw. III, 28) of den bal boeten (waarmede men zelf niet gespeeld heeft); den bot schudden (nog in 't Vlaamsch, zie Schuermans, 71); de scherven betalen (Rutten, 199); het loodje leggen (Coster, 211 vs. 128; 511 vs. 472 en Van Dale); het loodje schieten (Sewel, 459); der zak lappe (Jongeneel, 96); het leste keersken uitblazen (Joos, 75). Zie Joos, 80 en 91; Suringar, Erasmus, XXXV en vgl. het fr. payer les violons, les pots cassés (in Waasch Idiot. 794: de gebroken potten moeten betalen), en het hd. das Bad austragen müssen, etwas ausbaden müssen; die Zeche oder die Suppe zahlen müssen; vroeger ook das Gelag bezahlen (Borchardt, no. 100; 1265); eng. to pay the piper, the scot. Synoniem was in de middeleeuwen die hanse gelden, waarbij men denke aan de vroegere gewoonte om bij de intrede in een hanse een geldsom te storten of de leden te onthalen.Mnl. Wdb. III, 86; Ndl. Wdb. V, 2130..

640. Een hard gelag,

d.w.z. een hard lot, eene harde noodzakelijkheid; fri.: in hird gelach. Thans inzonderheid in toepassing op toestanden of lotswisselingen, waardoor men genoodzaakt wordt tot iets dat hard valt (een maatregel, handeling, enz.); maar voorheen ook in meer algemeenen zin voor eene treurige lotsbeschikking, die moeilijk is te dragen, in welken zin het o.a. voorkomt in den Minnenloep II, 2361 var.: Daerom so ist een hart gelach te duken onder der minnen slach. Dit znw. gelag houdt men voor eene afleiding van het wkw. liggen of geliggen, en beteekent in deze uitdr. gesteldheid, toestand, lot; vgl. de uitdr. de gelegenheid eener zaak en het hd. Lage, d.i. toestandMnl. Wdb. II, 1184; Franck-v. Wijk, 182 acht deze afleiding mogelijk, doch meent dat we ook van de beteekenis ‘kosten’ (zie no. 639) kunnen uitgaan.. Voor citaten uit de 17de eeuw zie het Ndl. Wdb. IV, 1041, waaraan nog is toe te voegen Anna Bijns, Nieuwe Refereinen, 31:

Ic moet wercken en sorgen, sal ic bedijen,
Tot allen tijen; tes een hert gelach.

Van Lummel, 196:

Het grof gheschut aen alle zijden
Ghinck daer los als eenen donderslach.
De roers die knapten tot dien tijden,
Twelck veelen was een hart ghelach.

Halma, 163: Dat is een hard gelag voor dien man, c'est un grand creve-coeur à cet homme-là; Harreb. I, 116 b.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut