Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gekscheren - (spotten)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gekscheren* [spotten] {1701, vgl. de geck scheeren [spelen voor gek] 1573} van gek + scheren [spotten] → scherts.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gekscheren

Met iemand gekscheren is: met iemand de spot drijven, de draak steken. Wij hebben hier te maken met een vermenging van twee zegswijzen. Oudtijds zeide men: de zot, de edelman, de grote heer, de prins scheren, voor de zot, de edelman enzovoorts uithangen, zich als een zot, als een edelman aanstellen. Dit, thans geheel uit de taal verdwenen werkwoord scheren betekende: verdelen, regelen, een rol vervullen. Daarnaast kende men een werkwoord scheren in de zin van spotten, schertsen. Sijn scheren met iemand houden was dus: de spot met iemand drijven, iemand voor de gek houden. Deze beide uitdrukkingen zijn èn door de gelijkluidendheid der werkwoorden èn door de verwantschap van betekenis met elkaar versmolten. Dat wij met scheren: schertsen te maken hebben, blijkt ook uit het deelwoord. Wij zeggen: hij heeft gegekscheerd en nooit: hij heeft de gek geschoren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gekscheren ww., verkort uit de gek scheren, zoals in de 17de eeuw den sot scheren, den edelman scheren ‘zich als zot of edelman aanstellen’. Het ww. scheren heeft bij Kiliaen reeds de betekenis ‘klaarmaken, inrichten, vormen’.

gekscheren [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 232 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gekscheren ww. Uit den gek scheren. Vgl. 16.-17.-eeuwsch den sot scheren, den edelman scheren “zich aanstellen als een gek, een edelman”. Vgl. voor ’t ww. bij scheren; de bet. “zich aanstellen als” komt eerst bij Kil. voor, naast de oudere “parare, praeparare, ordinare, formare”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gekscheren ono.w., van de uitdr. den gek scheren = 1. den gek spelen (vergel. den grooten heer scheren, den prins scheren), waarin scheren 1. — verdeelen, een deel nemen, een rol spelen; 2. den spot drijven, waarin scheren 1. = het haar afsnijden, zooals vroeger met gekken gebeurde. Beide hebben den invloed ondergaan van scheren 2 = spotten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gekskeer ww.
1. Die spot dryf. 2. Grappies maak, skerts.
Uit Ndl. gekscheren (1701 in bet. 1, 1787 - 1789 in bet. 2). Ndl. gekscheren uit den gek scheren, waar scheren die bet. 'die hare afsny' het, en gekscheren lett. 'die gek (wat voor die spreker staan, met wie die spreker te doen het) se kop kaal skeer' beteken. In die Middeleeue is gekke se hare, die kenmerk en sieraad van vrymanne, minagtend afgesny. Die daad het met grappe gepaard gegaan. Daar is egter ook 'n tweede rede vir die betekenisoorgang na bet. 2. Naas dié ww. scheren 'die hare afsny' was daar in Mnl. nog die gelykluidende swak ww. scheren 'skerts, spot', afgelei van Mnl. s.nw. scer(e)n 'skerts'. Deur vermenging van die bet. van die twee ww. het gekscheren 'n veranderde bet. aangeneem, en is vervolgens ook op sake toegepas.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Gekscheren, den gek scheren, ontleend aan een oude gewoonte om krankzinnigen het hoofd te scheren. Eerst zeide men zonder persoon erbij: den gek scheren, Langendijk 2, 78: “Ei scheer den gek niet meer”; daarna, waarschijnlijk naar analogie van spotten: d.g.sch. met iemand (vgl. den draak st.m.i.), en ook d.g.steken m.i., misschien in verband met de uitdrukking met draak, of in verband met uitdrukkingen als: iemand van den steen snijden, waarbij men aan een te verwijderen abces of derg. dacht. In iemand voor den gek houden slaat gek op het voorw. In: de gek komt uit de mouw, den gek in de mouw houden, is gek = de gekstaf, d.i. het stafje met aan ’t eind een zotskapje. Naast deze uitdrukkingen komt nog voor gekken met iem. of iets, eig. als een gek doen, gekheid maken. Vroeger zei men ook: den gek maken, waarbij maken de gewone uitdrukking was voor spelen van een rol; zoo zeide men: een goeden koning maken = goed als koning spelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gekscheren ‘spotten, gekheid maken’ -> Fries gekskeare ‘spotten, gekheid maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gekscheren* spotten 1701 [WNT wierookvat]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

637. Met iemand gekscheren,

d.i. met iemand den draak steken, ook iemand begekscheren (zie Jord. 78). Het ww. gekscheren is eene koppeling van de uitdrukking den gek scheren; zie no. 627. In het Westvlaamsch zegt men: van het zotte scheren (De Bo, 1443); Land v. Aalst: met iemand 't zot scheren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut