Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geitenbreier - (onhandig persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geitenbreier zn. (NN) ‘onhandig persoon’
Nnl. geitebreier ‘zeurpiet’ [1949; De Coster 2004], ‘druif, zonderling’ [1955; id.], geitenbreier ‘sufferd’ [1967; Vink], geitebreier ‘sufferd, zeurpiet’ [1972; Endt], ‘halfzacht figuur of zeurpiet’ [1984; van Dale].
Dit is oorspr. een Bargoens scheldwoord, maar over de achtergrond van deze samenstelling met → geit heerst grote onduidelijkheid. Misschien kan er een parallel getrokken worden met een ouder en verouderd scheldwoord muizebreier “pezenwever, lanterfanter, fr. musard” [1873; De Bo], variant van muizebruier (WNT), met een tweede lid bruier “gezel, kwant, snaak, vent, kerel, enz.” (WNT), dat is afgeleid van het eveneens volkstalige werkwoord bruien ‘een vrouw beslapen’, en dus van → bruid (in een oude algemenere betekenis ‘jonge vrouw, bijzit’). Het eerste lid geit blijft dan echter nog steeds onverklaard.
Algemene bekendheid (in Nederland) heeft het woord gekregen door het kindertelevisieprogramma De film van Ome Willem (1975-1984) van de VARA. Het was de naam die Ome Willem (Edwin Rutten) gaf aan alle ondersteunende medewerkers van het programma, waaronder bijv. de hoofdgeitebreier, de grote grijze geitebreier (een van de muzikanten) en de plasgeitebreier, die de in de studio aanwezige kinderen naar het toilet begeleidde. In contrast met de toneelspelende Ome Willem en zijn medespelers waren zij de ‘brave serieuzen’. In het hedendaagse spraakgebruik is geitenbreier zeker geen frequent woord, en de betekenis blijft daardoor vaag. Het Bargoense ‘sufferd’ is niet meer dekkend; eerder lijkt de inhoud bepaald te zijn door Ome Willems ‘serieuze persoon’, maar dan wel met de connotatie ‘halfzacht’. Vanwege het eerste lid en het verband tussen wol en breien lijkt ook associatie op te treden met geitenwollensokkentype ‘wereldvreemde, non-conformistische sociale hervormer’, een in dezelfde tijd bekend geraakte persoonsaanduiding, zie → geitenwollensokken-.
Lit.: A. de Vink (1967), Tieren en tierelantijnen. Ervaringen van een Amsterdamse politieman, Amsterdam, 26; P.H. Honig (1984), Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon, Diepenveen; M. De Coster (2004), ‘Geitenbreiers’, in: Neerlandia 2004/5, 36-37

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

geitenbreier: zeurder; suf iemand. Dit scheldwoord was al bekend eind jaren vijftig. Het dook bijvoorbeeld op in een conference van Toon Hermans (opgenomen op 18 maart 1958), op een moment dat hij pas populair begon te worden. Hermans vertelt hierin dat hij gekampeerd heeft in Tirol. Er waren daar vooral veel geiten, en er zat een oude herder wat bij te breien. ‘Zo’n geitenbreier, weet u wel.’ Dit tot grote hilariteit van het publiek. Maar het woord geitenbreier raakte vooral in zwang dankzij het populaire kinderprogramma ‘De film van ome Willem’, waarvan de VARA op 16 januari 1974 de eerste aflevering vertoonde. Het was een initiatief van Aart Staartjes maar ome Willem werd gespeeld door Edwin Rutten. Deze had altijd drie mensen om zich heen: Teun (Jennifer Willems), Toon (Aart Staartjes) en August (Pieke Dassen). Bovendien werd ome Willem begeleid door de Geitenbreiers met instrumenten als piano, accordeon en bas. De hoofdgeitenbreier was Harry Bannink. Verder waren er de papjesgeitenbreier (Frank Nova) en de grote grijze geitenbreier (Harry Mooten). Er waren zelfs plasgeitenbreiers (man of vrouw). Deze kwamen nooit in beeld maar stonden wel altijd klaar om de kinderen naar het toilet te begeleiden. In feite waren ze administratief medewerkers van de VARA. Dankzij dit programma kreeg het woord geitenbreier een positieve connotatie, hetgeen tevoren volstrekt niet het geval was. Wellicht was geitenbreier van oorsprong een Bargoens woord (zie hiervoor Endt, 1974). Het woord werd echter al opgetekend in 1955 (zie citaat hierna). Het zou dus om een van oorsprong Amsterdams scheldwoord kunnen gaan. Die stelling wordt ondersteund door de tot nu toe oudste vindplaats (1949). Een minder frequent voorkomende variant is geitenkloot (o.a. bij Bert Hiddema, Zwart geld, 1983).

Geitenbreier, zeurpiet. (Maurits Dekker, Amsterdam bij gaslicht, 1949. Woordenlijst achteraan)
Oewoe-oe-oe-oe! wat een geitebreier! Rotterdammerland en Friesland! (G.P. Smis, Het nieuwe Spionnetje: Onder de schaduw van de Westertoren: Roman uit de Jordaan, 1955)
‘Ik zie u al als geitebreister,’ zei Mossel hoofdschuddend. ‘Eén knotje sajet en ’n stopnaald, tel uit je winst. Dat is niks voor u, mevrouw.’ (Jan Mens, Het klein verschil, 1964)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut