Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geiser - (springbron; apparaat voor productie van heet water)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Föhn, geiser, hoogtezon

Een föhn, een geiser en een hoogtezon zijn in veel huishoudens te vinden. De benamingen van deze drie apparaten gaan via de omweg van buitenlandse merknamen terug op bijzondere natuurverschijnselen.

Föhn
In de Alpen is de föhn een gevreesd natuurfenomeen. Als de warme, droge valwind opsteekt, neemt de kans op lawines toe en wordt er massaal geklaagd over hoofdpijn, slapeloosheid, duizeligheid, angsttoestanden en depressies. Het Duitse woord Föhn gaat terug op het Latijnse (ventus) favonius (‘warme voorjaarswind’), een vriendelijk woord, want het is een afleiding van favere (‘gunstig gezind zijn’). Een zacht lentewindje is immers goed voor het gewas. Het Nederlands heeft föhn in de meteorologische zin van het woord al in de negentiende eeuw aan het Duits ontleend.
In 1899 bracht de Duitse firma AEG een elektrisch apparaat met een gewicht van twee kilo op de markt, dat met veel vonken en lawaai hete lucht uit een buis blies. Deze uitvinding werd Heißluftdusche genoemd. De heete-luchtdouche, zoals het apparaat ook in Nederland werd genoemd, was aanvankelijk vooral in gebruik bij de behandeling van huidziekten en reumatiek.
De door AEG gehanteerde merknaam Fön, ook wel gespeld als Foen, verwees speels naar de warme bergwind. In het Nederlands wordt deze benaming in 1915 aangetroffen in de Voorlezingen over ziekenverpleging van de Amsterdamse arts J.E. Stumpff. De geneesheer-directeur van het Binnengasthuis noemt de “electrische warme lucht douche (Föhn)” als aangewezen behandelingsmiddel voor het drogen van bevriezingsblaren. De Duitse benaming voor het apparaat lijkt aldus als medische term in onze taal te zijn geïntroduceerd.
In de eerste helft van de twintigste eeuw werd het huishouden geëlektriseerd, en deden elektrische stofzuigers, strijkijzers en waterketels hun intree. Van de föhn werden lichtere en goedkopere modellen ontwikkeld die hun nut bewezen voor tal van praktische doeleinden – blijkens een brochure over De electriciteit in onze woningen uit 1917 niet alleen voor het drogen van pas gewassen haar of het warmen van koude voeten, maar ook “tot het warmmaken van bedden (…), drogen van kleine wasch en handschoenen, van photographische platen, teekeningen enz.” In het Bulletin der Nederlandsche Vrouwen Electriciteits Vereeniging van mei 1933 vertelt een lezeres enthousiast dat ze met het apparaat bevroren waterleidingen ontdooit en er haar zijden kousen, de snijbonenmolen en de hond mee droogmaakt.
Tegenwoordig is föhn min of meer synoniem met haardroger. Deze twee benamingen hebben de oudere term heete-luchtdouche geheel verdrongen.

Geiser
Geysir is de eigennaam van een periodiek spuitende hete bron in het Haukadal op IJsland. Letterlijk betekent Geysir ‘spuiter’. De hete springbronnen van IJsland zijn al eeuwen vermaard. De walvisvaarder Cornelis Zorgdager beschrijft in de Groenlandsche visschery (1720) een IJslandse geiser beeldend als een “Put, die (...) als by ademhaaling opwelde gelijk een Walvisch water blaast”.
Al in de zeventiende eeuw werd het woord geiser gebruikt voor vulkanische springbronnen in het algemeen. In 1656 bezoekt de Amsterdamse dichter Joannes Six van Chandelier de bronnen van Spa en nuttigt daar een “halve drank des geisers”: een halve beker geneeskrachtig water uit de bron.
In vroeger tijden was het bereiden van heet water voor een bad geen sinecure. Water kon alleen in kleine hoeveelheden tegelijk worden verhit. In 1868 ontwikkelde de Brit Benjamin Maughan een badtoestel dat het koude water in een mum van tijd op temperatuur bracht terwijl het door de leiding stroomde. Maughan’s Patent Geyser, genoemd naar de IJslandse spuiter, was ook in Nederland een groot succes. In 1885 diende voor de rechtbank Amsterdam zelfs een zaak omdat onder dezelfde naam een ander badtoestel op de markt was gebracht. De betekenis van het Nederlandse woord geiser (‘warmwatertoestel’) is dus ontleend aan de Engelse merknaam.

Hoogtezon
Rond 1900 werd ontdekt dat tbc- en astmapatiënten baat hadden bij een verblijf in het hooggebergte. Dit geneeskrachtige effect werd onder andere toegeschreven aan de zonnestraling op grote hoogte, de zogeheten Höhensonne. Wetenschappers probeerden het effect van het intensieve zonlicht in de bergen kunstmatig te imiteren. In 1904 ontwikkelde de Duitser Richard Küch een kwikzilverdamplamp met kwartsglas die een intensief ultraviolet licht uitstraalde. Het bedrijf Heraeus, waar Küch werkzaam was, gaf diens uitvinding de merknaam Künstliche Höhensonne. Reeds in 1914 werd in Nederlandse kranten melding gemaakt van de genezende werking van de kunstmatige hoogtezon bij tbc en tetanus. Ook bij huidziekten werd de ultravioletlamp voorgeschreven. Vanwege de vermeende rustgevende werking van het licht werd het apparaat ook aangeprezen bij hoge bloeddruk.
In de jaren dertig was de kunstmatige hoogtezon vooral te vinden in ziekenhuizen, artsenpraktijken en zwembaden. Maar weinigen konden zich thuis immers zo’n kostbare lamp permitteren. Maar in de jaren vijftig werd het een alledaags consumptieartikel, waarvan de benaming weldra werd verkort tot hoogtezon. Tegenwoordig maakt de hoogtezon deel uit van een omvangrijk aanbod van zonnebanken, solaria en energielampen. Dergelijke zonneapparatuur wordt vaak aangeduid als bruiner, wat laat zien dat – net als bij de föhn – de geneeskrachtige werking niet meer op de voorgrond staat.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Föhn, geiser, hoogtezon’, in: Onze Taal 6, 157.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geiser zn. ‘springbron; apparaat voor productie van heet water’
Vnnl. een halve drank des geisers ‘een halve beker geneeskrachtig water uit de bron (te Spa)’ [1657; WNT ibis]; nnl. de Geiser op IJsland, eene der merkwaardigste heete bronnen [1813; Anslijn], geijser ‘warmwatertoestel (in een badkamer)’ [1897; WNT Aanv.].
Ontleend aan IJslands Geysir ‘(letterlijk) de spuiter’, de naam van een periodiek spuitende hete bron bij Haukadal op IJsland; de naam wordt bij uitbreiding gebruikt ter aanduiding van alle vulkanische bronnen van dit type. De benaming van dergelijke heetwaterbronnen is daarna toegepast op toestellen die heet water produceren. Geysir is het nomen agentis bij het werkwoord geysa ‘spuiten, doen stromen’ (ook Oudnoords geysa ‘id.’), van dezelfde wortel als → gieten. De betekenis ‘warmwatertoestel’ is ontleend uit het Engels, waar geyser voor het eerst in 1878 als naam van een gepatenteerd heetwatertoestel voorkomt (OED).
On. geysa is een causatief bij pgm. *geus- ‘uitstromen’, waarbij ook hoort on. gjósa ‘gieten’, ne. gush ‘uitstromen’ en wrsch. ook de onl. waternaam Gusaha (in Zeeland) [776, kopie 1170-75; Künzel].
Lit.: N. Anslijn Nz. (1813), Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden, Leiden, 34

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geiser [warme springbron, waterverwarmingstoestel] {1832 in de betekenis ‘springbron’; als ‘warmwatertoestel’ 1898} < ijslands Geysir [de naam van een bepaalde springbron met de betekenis: de gutser, de spuiter], van geysa [opwinden, aanjagen] causativum van oudnoors gjósa [gutsen, uitbarsten], iteratief van gjóta [gieten].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

geiser s.nw.
1. Warmwaterbron wat sporadies water uitspuit. 2. Toestel waarmee water vir gebruik in die huis verwarm word.
Uit Ndl. geiser (1832 in bet. 1, 1898 in bet. 2).
Ndl. geiser na Geysir, 'n warmwaterbron in Ysland, wat 'die spuiter' beteken.
Eng. geyser.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

geiser: 1. “warmwaterbron; 2. verwarmingstoestel”; Ndl. geiser/geizer (ook geyser/geysir) hou, soos Eng. geyser, wsk. verb. m. d. bek. bron in Ysland, Geysir, wat misk. afg. is v. ww. geysa, “voortstorm”, maar verb. lyk ook mntl. m. veroud. Ndl. geinster (by Kil o.a. gheynster en in tydgenootlike bronne o.a. gheister(e)/gheyster) almal in bet. “vonk”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geiser ‘springbron’ (IJslands Geysir); ‘waterverwarmingstoestel’ (Engels geyser)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

geiser (1845, uit het IJslands) warme springbron (1845); waterverwarmingstoestel (1898, uit het Engels)

In het zuiden van IJsland, aan de voet van een grote gletscher, ligt de beroemdste springbron ter wereld: de Grote Geiser. Geologen schatten, op basis van aslagen, dat dit gebied al zo'n tienduizend jaar vulkanisch actief is. De eerste beschrijving van de springbronnen dateert echter uit de 13de eeuw. Als gevolg van een aardbeving, zo schreef iemand in 1294, verdwenen sommige bronnen en ontstonden andere.
Dat is daarna zo doorgegaan. Het zuiden van IJsland wordt gemiddeld twee keer per eeuw door een flinke aardbeving getroffen, wat grote gevolgen kan hebben voor de springbronnen.
Zo lag de Grote Geiser er in de tweede helft van de 16de eeuw kalmpjes bij. Maar door een aardbeving in 1630 spoot hij het water uit z'n onderaardse bekken met zo'n kracht omhoog, dat het hele omliggende gebied schudde. Sindsdien geniet de Grote Geiser wereldfaam. In talloze reisverslagen is een beschrijving te vinden van de typische manier waarop deze springbron tot uitbarsting komt: eerst is onderaards gerommel te horen, de bodem begint te trillen, uit het water in het bovengrondse bekken ontsnappen stoombellen, en dan... wordt het rustig. Zo gaat dat verschillende keren achter elkaar, maar dan zwelt het gerommel aan tot gedonder, het water in de kom begint te golven, wolken stoom ontsnappen, in de diepte is een geweldige dreun te horen en ten slotte spuit met geraas een kokende waterstraal omhoog, vroeger wel tachtig meter de lucht in.
Een fraaie beschrijving van een springbron op IJsland — niet van de Grote Geiser overigens — is te vinden in een reisverslag van walvisvaarder C.G. Zorgdrager. In 1699 maakte kapitein Zorgdrager met zijn mannen een uitstapje naar het binnenland van IJsland, aan de noordkant van het eiland. Omdat hem verteld was dat de bronnen kokend water spoten, had hij een stuk schapevlees meegenomen, dat hij aan een touw in de bron wierp. Telkens werd het vlees op de straal omhooggespoten. Na negen keer spuiten was het gaar. De mannen aten het vlees met brood en dronken afgekoeld bronwater. Zorgdrager bewaarde een gedroogd stuk vlees als souvenir. Hij meldde nog dat het water van een andere springbron goed heette tegen ‘Venusquaalen’, die juist op IJsland hardnekkig waren. Hij probeerde bovendien een verklaring voor de springbronnen te geven, maar daar bakte hij niet veel van.
Dat laatste gold trouwens ook voor de meeste wetenschappers. Pas in 1846 ontdekte de beroemde Duitse scheikundige Robert Bunsen hoe de Grote Geiser ongeveer werkt. Hij liet er thermometers in zakken, verrichtte talloze metingen, en kwam met een theorie die — met slechts kleine aanpassingen — nog steeds staat.
Inmiddels was het begrip geiser zo bekend geworden dat het internationaal werd gebruikt voor warme springbronnen in het algemeen. In veel woordenboeken heerste op dit punt aanvankelijk verwarring. Zo omschreef Calisch geiser in 1864 als ‘algemeene benaming van reusachtige springbronnen op het eiland IJsland’. In feite werden de springbronnen alleen buiten IJsland geisers genoemd. Op IJsland zelf had en heeft iedere springbron een eigen naam, met als bekendste de Grote Geiser. Geysir betekent in het IJslands ‘gutser, spuiter’, van het werkwoord geysa, dat ‘gutsen’ of ‘omhoogspuiten’ betekent.
Maar goed, in de meeste moderne talen werd geiser dus een soortnaam voor springbron. In het laatste kwart van de 19de eeuw kwam daar in het Engels en Nederlands nog een betekenis bij, die van waterverwarmingstoestel. Engeland liep indertijd vooraan met de ontwikkeling van warmwatertoestellen; later nam Duitsland die rol over.
Met geiser (aanvankelijk vaak ‘geyser’ gespeld) bedoelde men omstreeks de eeuwwisseling een toestel om badwater te verwarmen, veelal gevoed met gas, maar ook met cokes of kolen. Het waren enorme ketels, apparaten die wij nu boilers zouden noemen. Vanaf 1920 maakte de keukengeiser in Nederland algemeen opgang. In het begin had je nog open geisers, maar die hadden als nadeel dat het water een deel van de verbrandingsgassen opnam, wat een vieze smaak gaf.
Overigens is de keukengeiser al weer een tijdje op z'n retour: de markt krimpt jaarlijks met tien procent. Ook de Grote Geiser is op z'n retour. In 1981 is, om uitbarstingen te bevorderen, het onderaardse kanaal schoongemaakt, maar hij spuit slechts als er eerst een flinke hoeveelheid zeep in wordt gekieperd — een hulpmiddel dat in de 19de eeuw werd ontdekt. Zelfs dan haalt hij met moeite veertig meter. De Grote Geiser blijft daarmee ruim achter bij geisers elders in de wereld.

Engels geyser (1780 [springbron]; 1878 [verwarmingstoestel]); Duits Geysir, Geisir [springbron]; Frans geyser [springbron] (1824).

A. Mourbach C.G. Zorgdragers Bloeyende Opkomst der Aloude en Hedendaagsche Groenlandsche Visschery (1720) 38-46; Nederlandsch Magazijn (1834) 193-195, & (1835) 347-349, & (1845) 387-390; Nieuwenhuis Aanhangsel 3 (1836) 28-29; Calisch Nieuw wdb. der Ned. taal (1864) 396; Winkler Prins1 7 (1874) 426; Winkler Prins4 7 (1916) 765-768, & 8 (1917) 2; Oosthoek ency. 5 (1919) 884-885; Alders In Holland staat een huis (19442) 122-123; Winkler Prins6 9 (1950) 181-183; Cleasby & Vigfusson & Craigie An Icelandic-English dict. (19572); Helgi Torfason The Great Geysir (Reykjavik 1985); OED (19932); Pfeifer Etym. Wtb. d. Deutschen (19932) 414; Petit Robert (19932) 1017.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geiser ‘warme springbron’ -> Indonesisch geyser ‘warme springbron’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

geiser [warme springbron] (1832). In 1832 verschijnt het Supplement op het kunstwoordenboek van P. Weiland (uit 1824). Net als het Kunstwoordenboek zelf vormt deze publicatie voor veel vreemde woorden – zoals het Duitse leenwoord paranoia – de oudste vindplaats in een Nederlandstalig woordenboek. Andere woorden die in het Supplement op het kunstwoordenboek van P. Weiland voor het eerst opduiken, zijn bijvoorbeeld het Amhaarse leenwoord negus (‘titel van de voormalige keizer van Ethiopië’), het Arabische dirham (‘munteenheid van Marokko en de Verenigde Arabische Emiraten’), het Duitse leenwoord laborant, het IJslandse leenwoord geiser, het Jiddische kaddisj (‘lofprijzing’), het Poolse zloty (‘munteenheid’), het Russische balalajka (‘soort snaarinstrument’) en het Turkse kelim (‘soort handgeweven tapijt’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geiser warme springbron 1832 [WEI] <IJslands

geiser waterverwarmingstoestel 1897 [Aanv WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal