Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geil - (hitsig, wulps)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geil bn. ‘hitsig, wulps’
Onl. geil- ‘vrolijk’ in de persoonsnaam geiltrud [802-17, afschrift 1150-58; Schoonheim 2004]; mnl. kasteie dinen lichame alse hi te geel es ‘kastijd uw lichaam als het te wellustig is’ [1290-1310; MNW-R], god geve hem heil met vruechden gheil ‘Moge God hem geluk geven met vrolijke vreugden’ [1350; MNW], .1. deel, die optie Vranken waren geel ‘een aantal (strijders) die op de Franken belust waren, op de Franken wilden losstormen’ [1315-35; MNW-R]; vnnl. Lust-zoekingh maakt ook gulzigh, gheil ... ‘het nastreven van lusten maakt ook gulzig, wellustig ...’ [1610; WNT kiesch], Was soo geyl en wellustigh, dat hy voor sijn sterf-dagh 65. speel-kinderen ... heeft over-gewonnen ‘was zo hitsig en wellustig dat hij voor zijn sterfdag 65 buitenechtelijke kinderen heeft verwekt’ [1653; WNT wellustig].
Herkomst onduidelijk. De oorspronkelijke betekenissen zijn ‘vrolijk’, en ‘dartel’, waarbij overmoedigheid en lichtzinnigheid of wellust al snel om de hoek kunnen komen kijken. Er is wel verwantschap gesuggereerd (WNT) met Latijn hilarus, later hilaris ‘vrolijk’, uit Grieks hilarós, zie → hilariteit, maar dat is klankwettig onmogelijk.
Os. gēl ‘vrolijk, overmoedig’ (mnd. geil ‘id.’); ohd. geil ‘dartel, overmoedig’ (nhd. geil ‘id.’); oe. gāl ‘dartel, lichtzinnig’; nzw. (dial.) gäl ‘geil’; got. gailjan ‘verblijden’; < pgm. *gaila- ‘vrolijk’; daarnaast on. geiligr ‘mooi’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geil* [wulps] {geil, geel [vrolijk, wulps, vruchtbaar] 1350} oudsaksisch gēl [overmoedig, vrolijk], oudhoogduits geil [vol levenskracht, dartel], oudengels gāl [dartel, lichtzinnig], gotisch gailjan [verblijden]; buiten het germ. litouws gailus [opvliegend], oudkerkslavisch (d)zěl [zeer], oudindisch helā [lichtzinnigheid].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geil 1 bnw. mnl. gheil, gheel ‘wulps, welig, vrolijk’, os. gēl ‘overmoedig, vrolijk’, ohd. geil ‘vol levenskracht, dartel, overmoedig, vrolijk’, oe. gāl ‘dartel, lichtzinnig, slecht’, got. *gails (blijkend uit gailjan ‘verblijden’). — lit. gailas ‘heftig’, gailùs ‘opvliegend, scherp bijtend’, osl. dzelo ‘zeer’, misschien ook miers gael ‘verwantschap’, van idg. wt. *ghoilo- (IEW 452). — Zie ook: gijl en gelp.

geil 2 znw. o. ‘plantnaam’, sedert Kiliaen, maar mnd. geile, mhd. geil o. en geile v. ‘testiculus’, waarvan weer mnd. bevergeil, mhd. bibergeil ‘krampstillend middel’, zo genoemd, omdat men meende, dat de bruinachtige, sterk riekende stof uit de testiculi van de bever kwam, terwijl zij in werkelijkheid uit twee blazen in de onderbuik afkomstig is. — Zie: geil 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geil I bnw., mnl. gheil, gheel “vroolijk, wulpsch, welig, belust op”. = ohd. geil “vol levenskracht, dartel, moedwillig, overmoedig, vroolijk” (nhd. geil), os. gêl “vroolijk, overmoedig”, ags. gâl “dartel, lichtzinnig, slecht”, got. *gails “vroolijk” (blijkens gailjan “verblijden”). Hierbij nog 1. de plantnaam geil II, sedert Kil., 2. mhd. mnd. geile v., mhd. geil o. “testiculus”, ook bij Kil., waarvan mhd. (nhd.) bibergeil o., mnd. bēvergeil “bevergeil”. Naar ’t du. woord is ndl. bevergeil o., nog niet bij Kil., gevormd. De naam kwam op, doordat men meende, dat ’t bevergeil uit de testiculi van den bever kwam. Germ. *ʒaila- is verwant met lit. gailùs “scherp, driftig”, obg. (d)zělŭ “hevig”, (d)zělo “zeer” (*ghoilo), waarbij nog oi. helâ- “lichtzinnigheid” (*gheilâ-) hooren kan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geil bijv., Mnl. gheil, gheel, Os. gêl + Ohd. geil (Mhd. en Nhd. id.), Ags. gál = vroolijk, vol levenskracht, Go. gailjan = vroolijk maken + Skr. wrt. hil = dartelen, Lat. hilaris = vroolijk, Osl. zělŭ, Lit. gailùs = hevig: Idg. wrt. g͂heil. — Hetzelfde w. is het zelfst.nw. geil in bevergeil, en de plantnaam geil, wegens de geilheid van haar groei.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

geil b.nw.
1. (t.o.v. grond) Vrugbaar. 2. (t.o.v. plante) Welig. 3. Wellustig, wulps. 4. Onbevrug.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. geil (al Mnl.). Bet. 4 het wsk. in Afr. self ontwikkel. Bet. 4 is nie in WNT of Van Dale (1999) opgeneem nie. Bet. 4 is eintlik die teenoorgestelde van bet. 1 - 3, en is wsk. die gevolg van die skertsende of ironiese toepassing van veral bet. 3.
D. geil.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

geil: vrugbaar, welig; wulps; Ndl. geil (Mnl. gheil/gheel), Hd. geil, Got. (ww.) gailjan, “verbly”, hou verb. m. Lit. gailus, “driftig”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

geile beer, geile bok: wellustige man; iemand die geobsedeerd is door seks; rokkenjager. De bok wordt al eeuwen gezien als het symbool van wellust en geilheid. De gekloofde voeten van de duivel vertonen de gelijkenis met bokkenpoten. Vgl. Duits: geiler Bock; geiler Hengst.

Nou, maar laat me je dit dan vertellen, jou stomme, smerige, geile ouwe bok, er bestáát een God in de hemel, en hij zal je breken… (Jan de Hartog, De inspecteur, 1961)
Op kermissen doe je het voorkomen dat je zo’n reuze geile beer bent. (Ben Borgart, Buiten schot, 1975)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geil* wulps 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut