Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geien - (zeilen inkorten)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gei (gew. geitouw o. genoemd) znw., geien ww. (een zeil met geitouwen inkorten, gorden). Sedert de 17. eeuw. Vgl. in de du. zeetaal gei v. “het loshangen van een zeil”, geitau o. “geitouw”, aufgeien “geien, opgeien”, geie v. “touw of ketting, waardoor een boom of davit steun ontvangt”. Wsch. is de ndl. spelling met ij in overeenstemming met de afkomst: vgl gijk; giek “uitstekend hout, spier”, ook “keertouw” en “een soort lijzeil”, = ndd. gîk (nhd. giek) (uit ’t Ndd. ’t ww. de. gie, give, zw. giga “geien”), met de samenstt. ndl. gijktouw, du. giektau o. > de. gi(e)taug, givtaug, zw. gigtåg en gijkzeil, du. gieksegel o. > de. gigseil. Wellicht van een germ. basis ʒī̆- “loshangen, in draaiende, schommelende beweging zijn”, waarover zie gijpen II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geien ‘zeilen inkorten door het doorhalen van de geitouwen’ -> Duits geien ‘zeilen inkorten door het doorhalen van de geitouwen’; Deens gi, gie ‘zeilen inkorten door het doorhalen van de geitouwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gi, gie ‘zeilen inkorten door het doorhalen van de geitouwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds giga ‘zeilen inkorten door het doorhalen van de geitouwen’.

Hosted by Meertens Instituut