Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gehucht - (buurtschap, dorpje zonder kerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gehucht zn. ‘buurtschap, dorpje zonder kerk’
Mnl. ghehochte, ghehuchte: eerst als toponiem in Oost-Vlaanderen: in loco qui dicitur ghehuchte. jn parrochia sancti martini ‘op de plaats die (Het) Gehuchte heet, in Sint-Martinus-Parochie’ (in Ronse) [1272; CG I, 233], Dit gesciede, alsict verneme, bi Loven, in .i. gehochte clene ‘dit geschiedde, zoals ik verneem, in een klein gehucht bij Leuven’ [1315-35; MNW-R]; vnnl. gehucht [1519; WNT].
Collectiefafleiding met → ge-te van → hof in de oude betekenis ‘woning’. Al vroeg, nog voor de schriftelijke overlevering, van *ghehofte overgegaan in ghehochte (zie → achter). Omdat de bouw van het woord nu niet meer doorzichtig was, kon de eind-e wegvallen naar analogie van alle andere woorden op -ocht, -ucht. In de vorm met -u- is umlaut opgetreden.
Germaanse equivalenten zijn er alleen in het Duits: mnd. gehuchte; mhd. gehofte (nhd. Gehöft).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gehucht* [klein dorpje] {ghehochte, ghehofte [de gezamenlijke bij elkaar behorende gebouwen, gehucht] 1272} van hof, waarbij -cht klankwettig uit -ft werd ontwikkeld, vgl. gracht uit graft (van graven); het voorvoegsel ge- geeft een collectief aan. De betekenis is dus ‘gezamenlijke hoeven’, vgl. hoogduits Gehöft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gehucht znw. o., mnl. ghehochte, ghehuchte (met overgang ft > cht) naast ghehofte, mnd. gehuchte ‘bijgebouw’, laat-mhd. gehofte (nhd. gehöft) ‘bij elkaar behorende gebouwen van een hofstede’, collectief van hof.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gehucht znw. o., mnl. ghehochte, ghehuchte, ghehofte v. o. “gehucht, bij elkaar hoorende gebouwen.” = laat-mhd. gehofte (nhd. gehöft) o. “bij elkaar hoorende gebouwen van een hofstede”, mnd. gehuchte o. “bijgebouw”. Collectivum bij hof. ’t Is niet noodig gehucht tevens uit een collectivum bij hoeve te verklaren, hoewel de vorm het toestaat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gehucht. De gewone mnd. vorm is gehöfte = ‘bijgebouwen; erf’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gehucht o., Mnl. ghehuchte, ghehochte, met cht uit ft + Mndd. gehuchte, Hgd. gehöfte: in feite zijn er twee woorden gehucht, een van hoeve en een van hof, d.i. hofstede.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gehug s.nw. (meestal in die verkleinw. gehuggie)
Klein dorpie.
Uit Ndl. gehucht (Mnl. gehochte, gehuchte). Soos Middelhoogduits gehofte aantoon, is Mnl. gehochte, gehuchte 'n afleiding met ge- en -te van hof 'woning'. Die voorv. ge- het oorspr. kollektiewe krag gehad, dus beteken gehochte, gehuchte lett. 'versameling geboue'. Die Ouwesgermaanse verbinding ft het in Ndl. (nie D.) oorgegaan in [xt], geskryf cht, vandaar gehucht.
D. Gehöft.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gehucht: een verzameling van hoeven (Hgd. Gehöft), waarbij de ft in cht overging, als bijv. bij gracht en graft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gehucht ‘klein dorp’ -> Fries gehucht ‘klein dorp, buurtschap; brokken modder, klei’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gehucht* klein dorpje 1272 [CG I1, 233]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut