Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gehemelte - (bovenwand van de mondholte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gehemelte zn. ‘bovenwand van de mondholte’
Vnnl. ghehemelte ‘id.’ [1514; MNW].
Collectiefafleiding met → ge-te van → hemel in de figuurlijke betekenis ‘gewelfd dak’.
Germaanse equivalenten zijn er alleen in het Duits: ohd. gehimilzi ‘zoldering’ (mhd. gihimelze).
verhemelte zn. ‘gehemelte’. Vnnl. verhemelt des mondts [1573; Thes.]. Eerder al in de betekenis ‘zoldering, plafond’ in van 2 lb carsen, daer die timmermanne bi wrochten onder tferhemelte ‘2 pond kaarsen, waarbij (= bij het licht waarvan) de timmermannen onder de overkapping werkten’ [1339-45; MNW]. Afleiding van het bn. mnl. verhemelt ‘voorzien van een gewelf, zoldering of plafond’, eigenlijk het verl.deelw. van verhemelen ‘van een gewelf, zoldering of plafond voorzien’. Een ouder en daardoor bekender woord dan gehemelte, vandaar dat het de betekenis van dat laatste kon overnemen. De historische betekenis van verhemelte is niet meer gangbaar; beide woorden zijn nu synoniem.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gehemelte* [bovenwand van mondholte] {gehemelt(e) [zoldering] 1440; de betekenis ‘bovenwand van mondholte’ 1514} van hemelverhemelte.

verhemelte* [gehemelte] {verhemelt(e) [zoldering, plafond, hemel van een bed] 1444, verhemelte vanden monde 1494} van hemelgehemelte.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verhemelte, gehemelte znw. o., is een afl. van hemel, dat reeds vroeg de dubbele betekenis van ‘coelum’ en van ‘palatum’ had, zoals ook in het baltisch (zie R. van der Meulen Ts 74,

1956, 307-8).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hemel znw., mnl. hēmel m. = onfr. himel, ohd. himil (nhd. himmel), os. himil, ofri. himul, himel m. “hemel”. Met ander formans: os. hëƀan, ags. heofon (eng. heaven), on. himinn, got. himins m. “id.”. De os. en ags. vormen hebben ƀ uit m onmiddellijk voor n, evenzoo on. hifn- in verbogen casus (vgl. stem). De oorspr. bet. is “overwelving” en verwant zijn lat. camur “gebogen, gewelfd”, gr. kmélethron “dak, plafond, huis”, wsch. niet av. kamǝrǝδa-”hoofd” (dat eer ka-mǝrǝδa- “wat voor een hoofd” is), misschien wel gall. tò Kémmenon óros, mons Cebenna. De wortel is òf qam- (qem-) en dan identisch met ’t bij ham I besprokene qam- “krom, gebogen zijn” òf (minder wsch.) ḱam- (ḱem-) en met de bij haam besproken basis identisch. Afl.: ohd. himilizi o. “baldakijn, plafond”, mnd. hēmelte o. “plafond, gewelf, verhemelte”, mnl. hēmelte o. “baldakijn, plafond, verhemelte”. In de laatste bet. ook verhemelte o., mnl. verhēmelte o. en gehemelte o., sedert 1514; mnl. ghehēmelte o. is nog alleen = “zoldering”, evenzoo ohd. gihimilizi o. Ook Kil. (nog zuidndl. dial.) hemel = “verhemelte”. Voor de bet. vgl. nog gr. ouranós “hemel, verhemelte”, russ. nëbo “verhemelte” in klankwettigen russ. vorm: nebo “hemel” in ksl. vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verhemelte s.nw.
1. Boonste gewelf van die mondholte. 2. Boonste gedeelte van 'n bed, troon of tent.
Uit Ndl. verhemelte (al Mnl. in bet. 1, 1571 in bet. 2), 'n afleiding met ver- en -te van hemel 'hemel'. Die sake in beide bet. word so genoem omdat die oorkoepelende posisie aan die hemel herinner. Ndl. hemel was egter vroeg reeds in die bet. 'dekstuk, palatum' bekend.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gehemelte: soos in Ndl. = verhemelte in bet. “monddak, mondgewelf” (palatum, reeds by Kil), afl. m. voorv. ge- en ver- en agterv. -te v. hemel, vorm met ver- blb. groter frekw. in Ndl.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verhemelte, van verhemelen, waarin ver = over.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gehemelte* bovenwand van mondholte 1514 [MNW]

verhemelte* gehemelte 1494 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut