Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geheim - (voor anderen verborgen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geheim bn. ‘voor anderen verborgen’
Vnnl. ghe-heym ‘verborgen, vertrouwd’, weliswaar met de toevoeging Ger., Sax. (Duits en Saksisch) [1588; Kil.], sijn' geheymen raed ‘zijn persoonlijke, vertrouwelijke raadslieden’ [1625; WNT vernoegen I], geheyme saecken veropenbaeren ‘geheime zaken openbaarmaken’ [1686; WNT verdrag].
Afleiding, met het voorvoegsel → ge-, van heem, heim ‘huis’, dat in het Middelnederlands voorkomt in uitdrukkingen als te heyme ‘thuis’, heyme bliven ‘thuis blijven’, heym comen ‘thuiskomen’ en zie → heem ‘huis’. Het betekent dus letterlijk tot het huis behoorende en tot de enge kring van het huis of huisgezin beperkt, het tegengestelde van openbaar. De functie en betekenis van het voorvoegsel ge- is hier overigens niet erg duidelijk.
In het Middelnederlands werd in deze betekenis het woord heimelijc gebruikt, zie → heimelijk.
geheim zn. ‘het geheim zijn; dat wat geheim is’. Vnnl. 't geheym van mijne dromen [1620; WNT slijpen]. Zelfstandig gebruik van het bn. geheim. Eerder wel al geheimenisse ‘geheim’ [1573; Thes.]. ♦ geheimzinnig bn. ‘raadselachtig, vol verborgen betekenis, onbegrijpelijk’. Nnl. geheimzinnig [1812; Weiland], van een geheimzinnig licht omschenen [1840; WNT Aanv. gefrutsel], de visch is het geheimzinnig symbool der eerste christenen [1908; WNT rembrandtiek], enig geheimzinnig gefrunnik met draadjes en instrumentjes [1949; WNT Aanv. electromonteur]. Afgeleid met het achtervoegsel → -ig uit het bn. geheim en het zn. zin ‘betekenis’, zie → zin, dus letterlijk ‘met een verborgen betekenis’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geheim [verborgen] {gheheym 1588} < hoogduits geheim, middelhoogduits geheim [tot het huis behorend, vertrouwd, voor anderen verborgen] → heem2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geheim bnw., Kiliaen noemt het woord Germ. Sax.; het is in de 16e eeuw uit het duits overgenomen, waar het in het laat-mhd. voorkomt in de bet. ‘tot het huis behorende’, dan ‘vertrouwd’ en ten slotte ‘voor de buitenwereld verborgen’. — Het is een afl. van heem.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heimelijk bnw., mnl. heimelijc, hêmelijc “gemeenzaam, intiem, vertrouwd, innig, geheim, stilzwijgend”, ook nog in de uit de grondbet. “huis-lijk” begrijpelijke bett. “verwant (in oostelijke en du. getinte teksten), tam, voor huiselijk gebruik bestemd, gepast”. = ohd. heimilîh “bij ’t huis hoorend, niet vreemd, vertrouwd” (nhd. heimlich), mnd. hêmelik “bij ’t huis hoorend, verwant, vertrouwd, intiem bevriend, heimelijk”, owfri. hêmelik “heimelijk”. Afl. van *χaima- (zie heemraad). Het verwante, eerst nnl. bnw. geheim, door Kil. nog “Ger. Sax.” genoemd, komt uit ’t Hd., waar ’t sedert de 15. eeuw voorkomt. Mnd. bestond geheim v. “verborgenheid, geheim”. ’t Ndl. znw. geheim o. is het gesubstantiveerde bnw. [Niet wsch. is de afl. van *χaima- in de bet. “dorp”: heimelijk, geheim “was dem dorfe gemeinsam ist”.]

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geheim bijv., + Mhd. en Nhd. id., met ge van heem (z.d.w.), dus = tot het huis behoorende, niet openbaar.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geheim (Duits geheim); (openbaar/publiek --) (vert. van Italiaans il pubblico secreto)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geheim, letterlijk: wat tot het heem (z. d. w.) behoort en dus voor vreemden verborgen moet blijven; zie ook Heimelijk. Vgl. ’t Mnl.: „Ryck God, waer ic tso heyme gebleven” = Almachtig God, ware ik thuis gebleven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geheim ‘verborgen; iets dat verborgen is’ -> Fries geheim ‘verborgen; iets dat verborgen is’; Javaans gehèm ‘verborgen’; Madoerees ēhhem ‘iets dat verborgen is’; Negerhollands geheim ‘verborgen’; Surinaams-Javaans kehèm, khehèim ‘verborgen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geheim verborgen 1588 [Claes] <Duits

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

geheim van Huis ten Bosch, het staatshoofd mag geen invloed hebben op de politieke besluitvorming. Bepaalde (journalistieke) vragen aangaande deze kwestie moeten in verband hiermee onbeantwoord blijven. → de Kroon* ontbloten.

Ik mag niet te veel vertellen, want dat is het geheim van Huis ten Bosch. (Vrij Nederland, 24/12/94)
Kritische opmerkingen zijn, althans in het openbaar, uitzondering — al was het maar omdat niemand ongestraft het geheim van Huis ten Bosch schendt. (Elsevier, 27/05/95)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut