Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geheel - (volledig, onverdeeld); (de gehele hoeveelheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geheel bn. ‘volledig, onverdeeld’; zn. ‘de gehele hoeveelheid’
Mnl. gheheel ‘gaaf, ongeschonden’ zoals in in gehelre hud ‘in de gave huid’ [1236; CG I, 29], ‘volledig, compleet’ in Mar hi moet zeker doen dat goed gheheel tehoudene ‘maar hij moet ervoor instaan, garanderen, die goederen ongeschonden (compleet) te laten’ [1254; CG I, 54] en .i. iaer gheel ‘een heel jaar’ [1285; CG II, Rijmb.]; als zn. ‘de gehele hoeveelheid’ in vnnl. in 'tgeheel ende suyver ‘volledig en zuiver’ [1658; WNT vergelijking].
Afgeleid met het versterkende voorvoegsel → ge- (sub g) van het bn.heel. De functie als zn. is secundair.
In NN wordt het bn. geheel behalve in formeel taalgebruik verdrongen door → heel en het bijwoord geheel door → helemaal. Wellicht treedt er ook een betekenisverschil op: het bn. gehele is iets sterker dan hele. In gesproken BN wordt geheel in formeel taalgebruik vaak vervangen door → gans.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geheel* [heel] {1236} met ge- gevormd van heel, gotisch gahails.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heel bnw., mnl. heel “gezond, ongeschonden, geheel, oprecht”, naast gheheel “id.” > nnl. geheel. = ohd. heil “gezond, ongedeerd, gered” (nhd. heil), os. hêl “gezond, onbeschadigd”, ofri. hêl “genezen, ongedeerd, geheel”, ags. hâl “gezond, ongedeerd” (eng. whole), on. heill “ongeschonden, ongedeerd, geheel, braaf, gelukkig”, got. hails “gezond”. Verwant met kymr. coel “(goed) voorteeken”, wellicht ook gr. koĩlutó kalón (Hes.). Obg. cělŭ “ongedeerd, gezond”, opr. *kailu-, -a- (kailūstiskun acc. “gezondheid”, misschien ook kails - pats kails “gezond - zelf gezond”, als drinkgroet; evenzoo komt got. hails, on. heill, ags. wes hâl als begroeting voor) kunnen oerverwant of uit ’t Germ. ontleend zijn. - Een factitivum = “*χaila- maken” is got. hailjan, on. heila, onfr. ohd. (nhd.) heilen, os. hêlian, ofri. hêla, ags. hæ̂lan (eng. to heal). Ndl. heelen heeft ee voor ei naar heel. Mnl. hêlen, heilen beteekent behalve “gezond maken, heel maken, verbinden” ook “gezond, verbonden worden”. De intr. bet. had ospr. hêlen = ohd. heilên “id.”. Vgl. heil, heilig, heiland.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geheel bijv., met ge van heel (z.d.w.) + Go. gahails.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

geel, bn., scherpl. e: heel, geheel. Door samentrekking (elisie van de doffe e, sjwa) uit geheel. Ook geeltegans, gelegans ‘helemaal’, het enige geval waarin het Wvl. gans gebruikt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geheel ‘heel’ -> Fries gehiel ‘heel’; Negerhollands geheel ‘heel, alles’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geheel* heel 1236 [CG I1, 29]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal