Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gegadigde - (belanghebbende, belangstellende, sollicitant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gegadigde zn. ‘belanghebbende, belangstellende, sollicitant’
Vnnl. eerst in de vorm gegadingde ‘die wil (kopen)’ [1666; WNT trekken], al spoedig ook in de vorm gegadigde ‘die graag wenst’ [1672; WNT toezegging].
Van gegadingde, letterlijk ‘iemand die gading heeft, iemand die lust heeft (om iets te kopen, een werk aan te nemen, etc.)’, een afleiding van → gading ‘zin, genoegen, lust’ met het voorvoegsel → ge- (sub e) in de betekenis ‘voorzien van’. De -n- is verdwenen, zoals bijv. ook in → verdedigen uit verdedingen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gegadigde* [belanghebbende] {1672} via een niet-teruggevonden gegadingde van gading, dus iem. met kooplust.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gegadigde

Een gegadigde is een belangstellende of belanghebbende, maar eigenlijk is het iemand die ergens gading in heeft. Het woord luidde vroeger dan ook terecht: gegadingde, maar die vorm komt niet meer voor. Gading nu is een woord dat verwant is met een oud werkwoord gaden en dat hoort weer bij het zelfstandige naamwoord gade, een deftig woord voor echtgenote en hetzelfde als gaai en gaaike in vogelnamen. Gaden betekende: paren en gading is dus: paring, behagen, neiging, lust en dan ook: kooplust. Vandaar dat gegadigden vooral gebruikt wordt voor hen die neiging hebben iets te kopen of te pachten, in te schrijven voor een bepaald werk of te dingen naar een betrekking. Meestal gebruikt men de meervoudsvorm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gegadigde znw., nnl. Voor *gegadingde, letterlijk “die gading heeft”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gegadigde m., uit *gegadingde, van gading.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gegadigde ‘belanghebbende’ -> Fries gegadigde ‘belanghebbende’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gegadigde* belanghebbende 1672 [WNT toezegging]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut