Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geeuwen - (gapen, (onwillekeurig) de mond wijd openen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geeuwen ww. ‘gapen, (onwillekeurig) de mond wijd openen’
Mnl. gewen ‘gapen, de mond opensperren’ [1240; Bern.], alse men ... dicken te gheeuwene pliet ‘als men vaak moet gapen’ [1374; MNW-R], ghewende ofte gapende ‘geeuwend of gapend’ [1400-50; MNW-P], die hoest of die geeut ‘hij die hoest of geeuwt’ [1480; MNW-P]. Daarnaast bestond het werkwoord mnl. g(h)enen ‘geeuwen’, bijv. in: dicke te ghenene pliet ‘vaak moet gapen’ [1350-1420; MNW].
Ohd. giwēn, giwōn ‘de mond opensperren, gapen’ (mhd. gewen, giwen, nhd. (dial.) gewen, gäuen); oe. giwian, giowian, giwan ‘vragen, verzoeken’; w-afleiding van pgm. *gī- ‘gapen, openstaan’, nultrap *gi-. Naast de vormen met w-achtervoegsel zijn er ook vormen met n-achtervoegsel van dezelfde wortel: mnl. g(h)enen hoort bij os. ginon (mnd. gēnen), ohd. ginēn, ginōn, geinōn (mhd. ginen, genen, nhd. gähnen ‘gapen’); oe. ginian, geonian, ganian ‘(de mond) opensperren’ (ne. yawn ‘gapen’); on. gína. Zie ook → gijpen 1.
Verwant met Latijn hiāre ‘geeuwen’, hīscere ‘gapen, openstaan’ (zie → hiaat), Grieks kháskein ‘gapen, opensperren’ (zie → chaos), Litouws žioti, Oudkerkslavisch zijatĭ ‘de mond openen’ (Russisch ziját' ‘wijd open staan’); < pie. heih1 nultrap hi- (IEW 418, 419).
geeuw zn. ‘het geeuwen, een gaap’. Nnl. geeuw ‘idem’ [1793-96; WNT]. Afleiding van het werkwoord geeuwen. Deze vorm verving het oudere geeuwing (mnl. gheeuwinghe [ca. 1450; MNW]) met dezelfde betekenis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geeuwen* [gapen] {ge(e)uwen 1201-1250} middelhoogduits gewen, giwen, oudhoogduits gewon, giwen, oudengels giwian, met w-suffix bij de stam van gapen; daarnaast met n-suffix middelnederlands genen, oudhoogduits ginon (hoogduits gähnen), oudengels ganian (engels to yawn); ook zonder achtervoegsel. Buiten het germ. latijn hiare [gapen] → gillen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geeuwen ww., mnl. ghêwen, ohd. giwēn, gewōn, mhd. gewen, giwen ‘de mond openzetten, gapen’, oe. giwian, giowian ‘verlangen, eisen’ (eig. ‘naar iets gapen’) met hiaatdekkende w naast ohd. gīēn ‘gapen’, vgl. ook on. gjā ‘spleet, kloof in de grond’. — lat. hio, hiare ‘gapen, opensperren’, lit. žió-ju, žióti ‘openen’, reflex. žiótis ‘gapen’, žióvauti, lett. žā̃vātiēs ‘gapen’, osl. zjam, zjati ‘de mond opensperren’ (IEW 419-422).

De idg. wortel *ĝhē staat naast * ĝhēi en heeft talrijke afleidingen, waarvan er echter in het nnl. maar enkele bewaard zijn.
ĝhē + l vgl. gilling
ĝhē + labiaal vgl. gapen
ĝhē + gutturaal vgl. gagel 2
*ĝhēi + gutt. vgl. giechelen, gei en giek
*ĝhēi + lab. vgl. gijpen 1, giebel, giebelen.
Uit het germ. zijn nog te noemen mnl. ghēnen, ohd. ginēn, ginōn, oe. ginian; met lange vocaal: os. gīnan, oe. to-gīnan, on. gīna, verder on. geiga ‘zijwaarts afzwenken’, geigr ‘schade’, waarbij ook nhd. geige, mnd. gige ‘muziekinstrument’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geeuwen ww., mnl. ghêwen. = ohd. giwên, gëwôn (nog bei. geuen) “geeuwen”. Voor ndl. -êw- vgl. leeuw. Met andere formantia zijn van de basis ʒī̆-, idg. ĝhī̆-gevormd: ohd. gîên, gîjên, — mnl. ghēnen, Teuth. gheenen, ohd. ginên, ginôn (nhd gähnen) ags. ginian, — os. gînan, ags. tô-gînan, on. gîna, — ohd. geinôn, ags. gânian (eng. to yawn) “gapen”. Vgl. verder uit ’t Germ. nog on. gin o. “open mond”, gjâ v. “kloof, gima v. “opening”, gil o. “kloof”, geil v. “holle weg” en daarbuiten lat. hio, hîsco “ik gaap”, obg. *zijati (?, partic. praes. zěję), zinąti, lit. żióti “gapen”, misschien oi. vi-hâyas- “luchtruim”. De wortel is ĝhī̆-, ĝhejâ-. Voor een synoniem ĝhā̆x- of ghā̆x- (wsch. met ĝh evenals ĝhī̆-) zie gapen; zie ook gijpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geeuwen ono.w., Mnl. id. + Ohd. gewôn (Mhd. gewen, dial. Hgd. geuen), Ags. giwian, een afleid, met -w-suffix daarnevens Ohd. ginôn (Nhd. gähnen), Ags. gánian (Eng. to yawn) met -n-suffix, en daarbij nog Ohd. gîên zonder suffix + Lat. hiare, Gr. kheiá = gat, kháos, khaínō = gapen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geeuwen van den Idg. wt. ghi = gapen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geeuwen* gapen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut