Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geestig - (met humor, gevat; leuk, plezierig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geestig bn. ‘met humor, gevat; leuk, plezierig’
Vnnl. geestich ende godlick ‘geestelijk, onzinnelijk, vroom en goddelijk’ [midden 16e eeuw; MNW], geestich vernuft ‘knap, intelligent verstand’ [ca. 1615; WNT verbluffen], in de titel van Bredero's zangbundel Geestigh Liedt-Boecxken [1621; Picarta] (‘boertig, kluchtig’: in de uitgave van 1622 gebruikt Bredero het woord Boertigh), geestigh ‘smaakvol, sierlijk, bevallig’ [1632; WNT], geestich ‘knap, bedreven’ [1640; WNT ambade]; nnl. een geestig voorval ‘een grappige gebeurtenis’ [1717; Marin NF], geestig op zijn manier ‘spits of gevat op zijn manier, zogenaamd grappig’ [1831; WNT]; 't was hier goed, zoo geestig en van zoo hooge alles af te zien ‘zo leuk en van zo hoog alles te bekijken’ [1899; WNT Supp. afzien I].
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van → geest 1.
De betekenis ‘grappig’ voor geestig en de betekenis ‘gevatheid, humor; kwinkslag’ voor geestigheid, ontstaan pas laat, wrsch. onder invloed van de betekenisontwikkeling van Frans esprit van ‘geest’ via ‘intelligentie’ naar ‘speelsheid; gevatheid, humor’.
geestigheid zn. ‘humor; kwinkslag’. Vnnl. geesticheyt ‘vernuft’ [1615; WNT vervatten]; nnl. haar geestigheid ‘haar sprankelende intelligentie’ [1784; WNT], zoogenaamde geestigheden en aardigheden ‘zogenaamde spitsvondigheden, gevatheden en grapjes’ [1806; WNT wijf], men noemde mij Jan Grap, om mijne geestigheid ‘... om mijn humor’ [1851; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -heid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geestig* [gevat] {geestich [geestelijk, onzinnelijk, godvruchtig] ca. 1550} afgeleid van geest1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geestig bnw. In de bet van fr. spirituel eerst nnl. en wsch. naar dit fr. woord gevormd; reeds mnl. in devote teksten = “geestelijk, godvruchtig”; ook al mhd. mnd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geestig (vert. van Latijn spiritualis)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geestig* gevat 1831 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut