Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geestelijk - (de geest betreffend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geest 1 zn. ‘ziel, onstoffelijk wezen’
Onl. gelobistu in halogan gast. ec gelobo in halogan gast (sterk verengelst) ‘geloof je in de heilige geest. ik geloof in de heilige geest’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26], geistis (verbogen vorm) ‘van de geest’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. in de name suader amp Soens amp selechs gheests ‘ In de naam des vaders en des zoons en des heiligen geestes’ [1253; CG I, 44], geest ‘onstoffelijk wezen’ [1276-1300; CG II, Lut.A]; vnnl. geesten ‘vluchtige bestanddelen, essenties van vaste stoffen’ [1618; WNT], des mensen geest ‘de gedachten en zinnen van de mens’ [1688; WNT]; nnl. geest van zout ‘zoutzuur uit keukenzout bereid, zoutgeest’ [1769; WNT].
Os. gēst ‘geest’ (mnd. gēst ‘id.’); ohd. geist ‘id.’ (nhd. Geist ‘id.’); ofri. gāst ‘id.’ (nfri. geast, geest ‘id.’); oe. gāst ‘id.’ (ne. ghost ‘id.’); on. geiskafullr ‘vervuld van schrik’ (nijsl. geiski ‘schrik’); got. usgeisnan ‘vervuld van schrik’, usgaisjan ‘doen schrikken’; < pgm. *gais- ‘bovenaards wezen’. Nzw. gast ‘spook, geestverschijning’ wrsch. < mnd. of (Hellqvist) < ofri.
Verwant met Avestisch zaēša ‘ijzingwekkend’; < pie. heis- / hois- ‘schrikken’ (IEW 425, 427); met d-sufffix Sanskrit hīḍ- ‘boos zijn, woede’. Volgens sommigen bestaat er verwantschap met de wortel pie. *gheh1i, zie → gapen.
De vroege betekenisverschuiving van het Germaanse woord van ‘schrik’ naar ‘geest’ en ‘(Heilige) Geest’ is het gevolg van het feit dat dit woord door de vroege kerk werd gebruikt als vertaling voor het Latijnse woord spiritus ‘geest’.
geestelijk bn. ‘betreffende de geest’. Mnl. gheestelijc ‘geestelijk’ [1200; VMNW]. Afleiding van geest met het achtervoegsel → -lijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geestelijk bnw. Sedert ’t Mnl. Ohd. Os. Ofri. Ags.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

geistelek 1. (bn.) geestelijk 2. (zn.) dienaar van de kerk; Vreugmiddelnederlands gheestelijc <1200>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geestelijk ‘kerkelijk, klerikaal’ -> Deens gejstlig ‘kerkelijk, klerikaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors geistlig ‘kerkelijk, klerikaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands geestlik ‘kerkelijk, klerikaal’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut