Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geest - (grond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geest 2 zn. ‘zandgrond’
Onl. in de Zuid-Hollandse plaatsnamen Osgeresgest ‘Oegstgeest’ en Polgest ‘Poelgeest’ en de namen van nog enkele onbekende plaatsen in Zuid-Holland: Husingesgest, Hustingest, Langongest, Litlongest [alle 918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel], waarin het tweede element ‘(ontginning op) zandgrond’ betekent; gest ‘geest’ [wrsch. 1083; Slicher van Bath], ghest, gheest ‘geestgrond’ [1105-20; id.], Uytghest ‘Uitgeest’ (Noord-Holland) [1105-20; Künzel]; mnl. in de plaatsnaam De Geest ‘De Gest’ (Noord-Holland) [1280-87; VMNW]; gheest ‘geest(grond)’ [1319; MNW].
Mnd. gēst ‘hoog, droog land’; ohd. geisinī ‘onvruchtbaarheid’ (nhd. Geest ‘hoog, droog land’); ofri. gāst ‘onvruchtbaar’ (nfri. gaast, geast ‘zandgrond’); oe. gæsne ‘onvruchtbaar’; ozw. gistinn ‘met spleten met de droogte’ (nijsl. gisinn ‘open door droogheid’; nzw. gisten ‘uitgedroogd, door uitdroging gebarsten, lek door ouderdom’); dentaaluitbreiding van de stam pgm. *gais- (voltrap) / gis- (nultrap) ‘gapen, openstaan’, van de wortel pgm *gai- / gi- ‘openstaan’ zoals in → gapen en → geeuwen.
Als het woord van de wortel van ‘gapen’ is afgeleid, moet de grondbetekenis ‘door droogte scheuren krijgen’ zijn, onvruchtbaar, droog land dus. Het verband tussen ‘zandgrond’ en ‘onvruchtbaar’ is dat de hooggelegen zandgronden onvruchtbaar zijn. Het feit dat de huidige geestgronden juist bekendstaan om hun vruchtbaarheid, is het gevolg van afgraving van het zand van de oude strandwallen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geest2* [grond] {in de vroegere Zuid-Hollandse plaatsnaam Husingesgeest <911-948>, g(h)eest 1280-1287} middelnederduits gēst, gāst [hoog, droog land], fries gaast, vgl. Gaasterland, deens gest, naast oudengels gæsne [onvruchtbaar], oudhoogduits geisini [onvruchtbaarheid], oudzweeds gistinn [met spleten door de droogte], wordt afgeleid van een i.-e. stam met de betekenis ‘open staan’, waarvan ook geeuwen stamt. Ondanks de secundair afwijkende vocaal is verwantschap met nederlands gust, middelhoogduits gust [onvruchtbaar] waarschijnlijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geest 2 znw. m. ‘geestgrond’, in friesgekleurde dial. gaast (vgl. Gaasterland), mnl. gheest (noordnl.), mnd. gēst (> nhd. geest), gāst ‘hoog, droog land’, owfri. gaest. Het is hetzelfde woord als het bnw. nd. gēst, ofri. gāst ‘onvruchtbaar’, waarnaast zonder t oe. gæsne ‘onvruchtbaar’, ohd. keisini ‘onvruchtbaarheid, armoede’, met andere klanktrap ozw. gistinn ‘met spleten door de droogte’, noorw. dial. gista ‘zich openen, dun worden van droogte’. Afl. van de idg. wt. * ĝhē, ĝhēi ‘gapen, open staan’ (IEW 422), waarvoor zie: geeuwen. — Men moet dan dus uitgaan van een grondbetekenis ‘door droogte scheuren krijgen’.

Het bezwaar van v.Haeringen, Suppl. 54, dat de betekenisovergang van ‘gebarsten’ > ‘droog, onvruchtbaar’ eerst jong noordgerm. zal zijn, mag toch niet er toe leiden, dat men deze overigens bevredigende etymologie verwerpt. Stellig is geest een kustwoord en het samengaan van het zogen. inguaeoons met het noordgerm. is meermaals gebleken; misschien mag men denken aan een typisch Noordzee-woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geest II (geestgrond), in fri. getinte diall. gaast, ook in Gaasterland, mnl. (noordndl.) gheest m. v. = mnd. gêst (> nhd geest v.), gâst v. “hoog, droog land”, owfri. gaest “id.” (wsch. ook oofri. bûta .... gêste londe; ook neemt men ĕ en identiteit met gust aan). Vgl. ags. gæ̂sne “onvruchtbaar”, ohd. keisinî v. “onvruchtbaarheid”, keisen “armoede”. Oorsprong onbekend. Als de bij geest I besproken wortel ospr. “branden” beteekend heeft, zou geest II hierbij kunnen hooren evenals lat. ârêre “droog, dor zijn” enz. bij den wortel ā̆s- “branden” (zie as).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geest II (geestgrond). De gissing, dat dit woord met geest I verwant zou zijn, is al te vaag wegens de volkomen onzekere grondbet. van het laatste. Het voordeel van in eerste instantie bij germ. woorden aan te sluiten biedt althans de combinatie met noorw. gisen, zw. dial. gissen, ijsl. gisinn ‘gebarsten van droogte’ (met dezelfde bet. ook ozw. gistin, zw. de. gisten), die eruit zien als deelw. bij een on. *gîsa ‘splijten’ (vgl. noorw. dial. gîsa ‘glimlachen, knipogen’, eig. ‘een spleet maken’), dat van de bij geeuwen besproken basis kan gevormd zijn. Het is echter zeer de vraag, of wij een soortgelijke —in de scand. talen wsch. jonge — specialisering van betekenis (‘gespleten, gebarsten’ > ‘droog, onvruchtbaar’) ook mogen aannemen voor de in het art. genoemde woorden, waaraan het begrip ‘droog, onvruchtbaar’ blijkbaar vanouds eigen was.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gast 3 , Fri. vorm van geest 2.

geest 2 v. (hoog gelegen zandgrond), Mnl. gheest + Mndd. gest, Ofri. gést, gást, De. gest: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

geest '(ontginning op) hoger gelegen zandgrond'
Onl. gest 'hoger gelegen zandgrond', verwant met ofri. gâst 'onvruchtbaar', nfri. gaast, geast 'zandgrond', mnd. gêst 'hoog, droog land', ohd. geisinî 'onvruchtbaarheid', nhd. Geest 'hoog, droog land', ono. gistinn 'met spleten door droogte', nzwe. gisten 'uitgedroogd, door uitdroging gebarsten'; Bij germ. *gais- / gis- 'gapen, openstaan' met de grondbetekenis 'door droogte scheuren krijgen'. Geestgrond was veelal hoger gelegen onvruchtbare zandgrond. In het westen van het land lagen de geestgronden op oude oeverwallen van de Noordzee omringd door veengebied, en zij waren de enige plaats waar landbouw bedreven kon worden, vandaar dat aan onl. gest in plaatsnamen ook wel de betekenis 'ontginning of bouwland op de geestgrond' wordt gehecht. Oudste attestaties onder andere: 918-948 kopie 11e eeuw in Osgeresgest (→ Oegstgeest) en in Polgest (→ Poelgeest, nu deel van Oegstgeest)1. In Friesland liggen de nederzettingen met gaast-namen op de hogere zandruggen. Zij worden dan ook in het spraakgebruik vaak gecombineerd met het voorzetsel op. Groningse plaatsnamen met gast, gaast zijn Friese relicten.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 269, 291.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geest ‘grond’ -> Deens gest ‘hoger gelegen gronden van Zuid-Jutland, Noordwest-Duitsland en Nederland’ (uit Nederlands of Fries); Noors gest ‘hooggelegen, onvruchtbaar land’; Litouws gestas ‘hoger gelegen gronden van Noordwest-Duitsland en Nederland langs de Noordzee’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geest* grond 0911-948 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑hē-2 : ghǝ- und g̑hēi- : g̑hī- ‘gähnen, klaffen’, schallmalend für den Gähnlaut (dazu der weitergebildete Stamm g̑hii̯-ā); (s. auch u. g̑hans- ‘Gans’; ähnlich, aber mit Velar, gha gha für gackern und dgl., s. dort). Neben g̑hēi- auch g̑hēu- : g̑hǝu̯- (s. dort), entweder als andere Auffassung des Gähnlautes, oder mit ursprüngl. formantischem u.

Gr. χάσκω (g̑hǝ-skṓ) ‘gähne, klaffe’ (nur Präs. und Impf.; später von χαίνω abgelöst, s. unter g̑han-), χάσμα ‘klaffende Öffnung’; χηραμός ‘Loch’, χηραμύς ‘eine große Muschel’, nach χαραμός· ἡ τῆς γῆς διάστασις Hes., χηλός f. ‘Kiste, Lade’; χήμη ‘das Gähnen, Gienmuschel’.
Von g̑hēi- aus: aksl. zějǫ ‘hio’ (*g̑hēi̯ō).
Von g̑hii̯-ā- aus:
lat. hiō, -āre (*g̑hii̯a-i̯ō) ‘gähnen, klaffen, aufgesperrt sein’, osk. eehianasúm ‘ēmittendārum (hostiārum)’, umbr. ehiato ‘ēmissōs’;
lit. žió-ju, -ti ‘öffnen’, reflexiv žiótis ‘gähnen’ (žiótys Pl. f. ‘Riß, tiefe Kluft; Mund, Rachen’), wozu lit. žióvauti, lett. žãvâtiês ‘gähnen’ (žāvas f. Pl. ‘Gähnen’)
und mit p: lit. žiopsaũ, -sóti ‘mit offenem Munde dastehen, dasitzen’;
skr. zjȃm, zjȁti ‘den Mund aufsperren’, Iterativa aksl. zijają, zijati, russ. zijáju, -átь ds. und sloven. zẹ́vati ‘den Mund geöffnet halten’, čech. zívati, russ. zěvátь ‘gähnen’ (sloven. zẹ̀v, poln. ziew, russ. zěv ‘Rachen’);
mit p (vgl. unten die Wzf. g̑heip-): blg. zě́pam, poln. ziepać ‘mit Mühe atmen’, klr. zḯpaty ‘nach Atem schnappen’, čech. zípati ‘keuchen’.
Ähnlich, aber nach den ē-Verben, ahd. gīēn ‘gähnen’ (wäre got. *gijan, -aida); daneben mit noch klärungsbedürftigem (aber schwerlich aus der Wzf. g̑hēu- stammendem) w im Hiat ahd. anagiwēn ‘inhiare’, gēwōn ‘den Mund aufsperren, gähnen’ (mhd. gewen, giwen ds.), ags. giwian, giowian ‘verlangen, fordern’ (aus ‘*mit offenem Munde, gierig wonach lechzen’); dazu aisl. gjā f. (*giwō) einerseits ‘Spalte, Kluft in der Erde’, andrerseits (von ‘lechzen’ aus) ‘wollüstiges Leben’, mhd. giude (*giwiþō) ‘geräuschvolle Freude’, giuden ‘prahlen, großtun (*den Mund weit auftun); in geräuschvoller Freude sein, verschwenderisch leben’, nhd. vergeuden; ahd. inginnan ‘auftun, öffnen, aufschneiden, spalten’ aus *ginu̯an ist wohl Faktitiv zu ahd. ginēn (s. unten) in formellem Anschlußan das lautähnliche biginnan.
sko-Präsens: lat. hīscō, -ere (*g̑hī-sk̑ō) ‘gähnen, klaffen, aufgesperrt sein’; ähnlich ags. giscian, mhd. gischen ‘schluchzen’ und norw. mdartl. geiska ‘die Beine ausspreizen’ (s. Persson Beitr. 318).
n-Präsentien und zugehörige Nomina: aisl. gīna st. V., ags. tō-gīnan st. V. ‘klaffen, gähnen’; mit aisl. gine, ahd. ginēn, mhd. ginēn, genēn, nhd. gähnen = ags. ginian, gionian ‘weit offen sein’, aisl. gina ‘gähnen’, gin n. ‘Schlund’, ags. gin n. ds.; mit germ. ai (idg. g̑hǝi-? oder vielmehr der Präteritalablaut des st. V. gīnan?) ahd. geinōn, schweiz. gäine, got. *gainon, ags. gānian; aber engl. yawn, ‘gähnen’ für *yone aus ags. gionian;
aksl. zinǫ, -ǫti (*g̑hīnō) ‘χαίνειν’.
Andere Nominalbildungen:
mit u̯: ags. giw, gēow m. ‘Geier’ (*gīwaz ‘der Gierige’);
mit m: aisl. gīma f. ‘Öffnung’, schweiz. gīm ds.; aisl. geimi m. ‘Meeresschlund’; nisl. geimr ‘großer, leerer Raum’;
mit r: germ. *gīr(i)a- ‘gierig’ (eigentl. ‘*lechzend’), in norw. mdartl. gīr m. ‘Begierde, Leidenschaft’, ahd. gīri ‘begierig’, gīr ‘Geier’;
mit l: aisl. norw. gil n. ‘Felsspalt’, schwed. mdartl. gilja f. ‘Hohlweg’, ahd. mhd. gil ‘Bruch, hernia’; aisl. geil f. ‘Hohlweg, Engpaß’; mnd. gīlen ‘begehren, betteln’ (von *gīla- Adj. ‘begehrend’, vgl. zur Bed. oben ags. gīwaz).
Mit Bed.-Entw. von ‘klaffen’ zu ‘schief abstehen (zunächst z. B. von Hölzern u. dgl.)’ ist wohl anzureihen ndd. ndl. gillen ‘schräg abschneiden’, ndl. gillinghout ‘schräg durchgeschnittenes Holz’, weiter isl. geila ‘trennen’ (‘*klaffen machen’), ags. gǣlan (*gailjan) ‘hindern, zögern’; von r-Formen nd. gīren, ndl. (daraus nhd.) gieren, norw. mdartl. gīra ‘vom Kurs abweichen’; ndl. geeren ds., norw. mdartl. geira ‘schief laufen’.
Erweiterungen mit i-Vokalismus:
*g̑hei-gh- : aisl. norw. dial., geiga ‘seitwärts abschwenken’, aisl. geigr m. ‘Schaden’ (ursprgl. Anschauung ‘*schief abstehen, klaffen’ z. B. von Hölzern); vgl. nhd. schweiz. Geigle ‘Doppelast an einem Baume, der in beliebigem Winkel auseinandergeht; Pl. die Schenkel’, nhd. Heugeige ‘Stecken mit seitwarts abstehenden Astresten zum Aufschobern des Heus’; nhd. dial. geigen ‘sich hin und her bewegen’, aisl. gīgja, aus mnd. mhd. gīge, nhd. Geige als Musikinstrument; ags. for-, of-gǣgan ‘abweichen von, überschreiten’, gǣgl und gāgol ‘ausgelassen, ausschweifend’, afries. gēia ‘übertreten, unterlassen, Buße zahlen für, büßen’; norw. dial. giga, gigla, gigra ‘lose stehen, wackeln’, engl. gig (nord. Lw.) ‘leichter Wagen, leichtes Boot’, whirligig, dän. gig ‘Kreisel als Spielzeug’; ndd. giggelen, engl. to giggle ‘versteckt, spöttisch lachen’; als ‘frei abstehende, bewegliche Segelstange’ hierher ndl. gei ‘Raa’ (Grundf. geig(*j)a?), ndd. gīk, ndl. gijk ds. und mnd. geck von drehbaren Dingen (z. B. Deckel, Fensterladen, Pumpstangen), auch ‘Narr’ (nhd. Geck); hierher (nach Wissmann Nom. postverb. 41) got. geigō f. ‘Gier’, ga-geigan ‘gewinnen’, faíhu-geigan ‘begehren’; s. S. 427.
Ähnlich ist (von g̑hii̯ā- aus) mit gh gebildet lit. ziógauti ‘gähnen’, žiógas ‘Heuschrecke’, žiõgris ‘Palisade’.
g̑hei-p- (im Germ. vielleicht z. T. auch g̑hei-bh-):
Lat. (Gloss.) hippitāre, exippitāre (*hīpitāre) ‘hietare, oscitare’ (span. hipar ‘schluchzen’); čech. zípati ‘keuchen’ (usw., s. oben);
ags. gīfer ‘Fresser’, aisl. gīfr m. ‘Unhold’; nhd. dial. geifen, geiben, geipen ‘gähnen, gaffen, gierig verlangen’; aus ‘schief abstehen, locker abstehen’ norw. dial. geivla ‘seitwärts abschwenken; schlottern’, auch geivra; vom Verziehen des Mundes ndd. gib(b)elen ‘spottend lachen’, nhd. geifeln ‘spottend lachen’, engl. to gibe, jibe ‘spotten’.
Im Germ. auch:
g̑hei-b-, germ. *gī̆p-: aisl. gīpr m. ‘Maul, Rachen’, FlN für Gipa, norw. mdartl. gipa ‘klaffen machen, nach Luft schnappen’ = ags. gīpian ‘nach Luft schnappen’; mnd. gippelt ‘töricht, dumm’; schwed. dial. gippa ‘Riß, Spalte’; mit ī schwed dial. gipa ‘den Mund verziehen’, ndd. gīpen ‘nach Luft schnappen, strehen nach’; nhd. bair. gaif(f)en von einem nicht festsitzenden, schlotternden Schuh; mit der Bed. ‘spöttisch den Mund verziehen u. dgl.’.
Mit germ. ai: aisl. geipa ‘schwatzen’, norw. dial. geipa ‘schwatzen; den Mund weit aufsperren; mit ausgespreizten Beinen sitzen oder gehen’ u. dgl.;
aisl. geispa ‘nach Luft schnappen’, mengl. gaspen < ags. *gāspian, wohl aus *gaipsōn (durch Verquickung von *gaip- und *gais).
gheis-: isl. gisinn ‘von Trockenheit rissig, undicht’ (Partiz. von *gīsa =) norw. dial. gīsa ‘grinsen, blinzeln’; norw. dial. gista ‘sich öffnen, dünn werden, vom Walde’, aschwed. gistinn ‘von Trockenheit rissig’; aus dieser Bed. weiter mnd. gēst, afries. gēst, gāst ‘das höhere trockene Land im Gegensatz zur Marschniederung’ (zugehörige u-Formen nd. güste, ndl. gust ‘unfruchtbar, trocken, gelt’ von der Basis g̑hēu-?? S. Persson Beitr. 318).
Erweiterungen mit ē- : ǝ-Vokalismus (fast nur germ.):
*g̑hǝgh- (: g̑hēgh-):
Ags. gēagl m. n. ‘Kinnbacken, Kehle’, Pl. ‘Backenzähne’, mnd. gāgel, gēgel m. n. ‘Gaumen, Zahnfleisch’ (*gāgula-, -ila);
nhd. dial. gagen, gageln, gagern ‘(sich) spreizen (von den Beinen, den Fingern), wackeln, gestikulieren, gaukeln’, gackelicht ‘närrisch’, mhd. gagen, gageren ‘sich hin und her bewegen, zappeln’, aisl. gagr ‘gekrümmt, zurückgebogen’, gaghals ‘mit zurückgespreiztem, zurückgebogenem Halse’, norw. dial. gag ‘rückwärts gebogen (z. B. von schief abstehenden Gerätteilen)’, engl. gag-toothed (nord. Lw.) ‘mit hervorstehenden Zähnen’: ablaut. aisl. gǣgjask ‘sich vorrecken, um zu gucken’, und (zugleich mit Kons.-Schärfung) md. gāken ‘gaffen’.
Aisl. gjǫgrar Pl. ‘Felsklüfte’ (*gegura-) vergleicht Lidén Armen. Stud. 70 f. wohl richtiger mit arm. gez ‘Spalte, Riß, Kerbe’.
*g̑hēp-:
Ai. hāphikā ‘das Galmen’ (mit jungem ph statt p, Persson Beitr. 565).
*g̑hǝb-: aisl. gap ‘weite Öffnung, Loch, Chaos; Ruf, Schrei’, gapa ‘den Mund aufsperren, schreien’, ags. gapian, ndd. gāpen, mhd. nhd. gaffen ‘mit offenem Munde anschauen’.
*g̑hǝbh-:
Ags. geaflas Pl. ‘Kiefern’ (in der Bedeutung gerichtet nach ceafl ‘Kiefer’, s. unter g̑eph-), älter dän. paa gafle ‘weit offen’, schwed. på gavel ds.;
aisl. gabba ‘Spott oder Scherz treiben’, ags. gabbian ‘schwätzen; verspotten, verhöhnen’, gaffetung ‘Hohn’, gafsprǣc ‘törichte Rede’, ndl. gabberen ‘nugari, jocari’ u. dgl. (wohl aus dem Ndd. stammen lit. gabl(i)ó-ju, -ti ‘necken, vexieren’, gablỹs ‘wer neckt, vexiert’, s. Berneker 287 f. - auch über poln. gabać ‘reizen, necken’).

WP. I 548 ff., WH. I 647 ff., Trautmann 368, Schwyzer Gr. Gr. I 694.Vgl. noch g̑hē-1 ‘leer sein, fehlen’; Specht (Dekl. 282) setzt eine Wurzel *ag̑h-ē- usw. an; s. oben unter g̑han-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal