Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geer - (wigvormig voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geer 1 zn. vero. ‘puntig wapen’
Mnl. groet soe was sijn gere, lanc ende daertoe breet ‘groot was zijn speer, lang en ook breed’ [eind 13e eeuw; MNW], (si scoten) menighen spiet ende menighen ghere ‘(zij wierpen) menige spies en menige speer’ [1390-1410; MNW].
Een woord dat oorspr. ‘speer, werpspies’ betekende, verwant met → avegaar, → gesel. De grondvorm ger komt voor in oude Germaanse persoonsnamen als Gerbrand, Ger(h)ard, Gertrud (Geertrui) en Rutger. Hetzelfde woord als → geer 2 ‘spits toelopende strook’.
Os. gēr; ohd. gēr; ofri. gēr; oe. gār (ne. het eerste lid van garlic ‘knoflook’); on. geirr; < pgm. *gaiza- ‘speer’, met grammatische wisseling uit *gaisá-, waaruit met achtervoegsel → gesel.
Proto-Keltisch *gaiso- ‘speer’ (Oudiers gae, Welsh gwaew) is wrsch. ontleend aan het Germaans. Vandaar via het Gallisch ook Latijn gaesum ‘zware ijzeren werpspeer’. Men kan weliswaar een wortel pie. haisó- ‘werpspies’ (IEW 410) reconstrueren, maar gezien de beperkte geografische spreiding en het betekenisveld ‘wapen, werktuig’ kan het evengoed een leenwoord uit een substraattaal zijn.
De in het verleden vermeende verwantschap met Grieks khaĩos ‘herdersstaf’ is niet waarschijnlijk: dit is een leenwoord uit een andere taal. Ook Sanskrit héṣas ‘wapen’ heeft waarschijnlijk niets met geer te maken.
elger zn. ‘vork om aal te steken’. Mnl. noch mit netten, noch mit elghers ‘niet met netten en ook niet met aalvorken’ [1406, afschrift 1780; MNW], (mv.) ellegaers, elgers [beide 1445-55; MNW sticken]; vnnl. aelgeer [1614; WNT Supp. aalgeer], ellegeer [1621; WNT], ellegaar [1629; WNT], elger [1661; WNT]. Samenstelling van mnl. ael ‘paling’, zie → aal, en geer ‘spies, speer’. De vorm elger naast aalgeer is wrsch. ontstaan in de Fries getinte Hollandse dialecten. Ook mnd. elger (nhd. (veroud.) Elger), ofri. ēlgēr (nfri. ielgear), nde. alger, nno. ålgeir.

geer 2 zn. ‘schuin lopend stuk land, schuin toelopende strook’
Onl. geren (mv.) ‘schuin toelopende stukken land’ [1130-61; Slicher van Bath, 50-51], de plaatsnaam Gere (onbekende ligging in Gelderland) [ca. 1200; Künzel]; mnl. vi morghen lants in dien ghere ‘6 morgen land in de (schuine) strook’ [1280-87; CG I, 498], geer ‘schuine strook stof, afhangend deel van een kledingstuk’ in den rudder namen si bi den ghere ‘zij pakten de ridder bij de slippen vast’ [1350; MNW]; vnnl. geer ‘schuine plank’ in alle geeren de welcke aen den bodem ende decxsels (van de doodkisten) werden gevoeght [1658; WNT voegen I].
Hetzelfde woord als → geer 1 ‘werpspies’; de betekenis is dus oorspronkelijk ‘zaak die in vorm op de spits toelopende punt van een werpspies lijkt’. Van deze afgeleide betekenis ook het werkwoord → geren ‘schuin toelopen’.
Een geer is ook een heraldisch motief: een driehoekig vak in het schild, gevormd door een lijn uit een schildhoek en een lijn uit het midden van de aangrenzende schildrand, die elkaar in het middelpunt van het schild raken. Dit motief komt o.a. voor op het wapen van de Belgische provincie West-Vlaanderen en was oorspronkelijk het wapen van het hele graafschap: het wapen van Vlaanderen ... bestond ... uit vijf geeren van lazuur op een gulden veld, met een schildeken in het midden [1868; WNT lazuur]; het motief van de leeuw is meegebracht door de kruisvaarders. Een gegeerd schild is bezet met een of meer van deze geren.
geren ww. ‘schuin toelopen’. Vnnl. eerst in de Hollandse vorm gieren ‘schuin (toe)lopen’, in ghieren, als een landt dat giert ‘niet recht lopen’ [1618; WNT gieren]; nnl. dat huis geerd, gierd, is heel schuins gebouwd [1701; WNT gieren], dat huis geert ‘de muren lopen niet evenwijdig’ [1876; WNT], een rok geeren ‘een rok naaien met naar boven smal toelopende banen’ [1876; WNT]. Afleiding van het zn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geer1* [spits toelopende lap kleding of grond] {in de plaatsnaam Gervliet, nu Geervliet (Z.-H.) 1195, gere [schuin toelopend pand van kleding, spits toelopend stuk grond] 1248} ontwikkeld uit de betekenis ‘spies, pijl’, zoals in het tweede lid van elger.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geer znw. v., mnl. ghêre m. ‘schuintoelopend pand van een kledingstuk; zoom, spits toelopend stuk land’, mnd. gēre ‘spitstoelopend stuk goed of land’, ohd. gēro ‘spies’ (nhd. gehren ‘baan van kledingstuk’) ofri. gāra ‘pand van kledingstuk, schoot’, oe. gāra (ne. gore) ‘landtong’, on. geiri ‘wigvormig stuk aan een kledingstuk’. — Germ. *gaizan is gevormd van *gaiza- (waarvoor zie: elger).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geer znw., mnl. ghêre m. “schuin toeloopend pand van een kleedingstuk, zoom, boezemgat, kleed, spits toeloopende strook land”. = ohd. gêro m. “spies, lingua maris” (nhd. gehren), mnd. gêre m. v. “spits toeloopend stuk goed of landstuk”, ofri. gâra m. “pand van een kleedingstuk, schoot”, ags. gâra m. “landtong” (eng. gore), on. geiri m. “driekantig stuk goed”, germ *ʒaizan- ”spits toeloopend voorwerp”. Van *ʒaiza- (zie elger) gevormd. Uit ’t Germ. fr. giron, it. gherone “schoot, slip”. Vgl. gier III.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geer. “Mnd. gêre m.v.”, lees: “mnd. gêre m.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geer 2 v. (wigvormig of schuin loopend voorwerp), Mnl. gere + Ohd. gêro (Mhd. gêre, Nhd. gehre), Ags. gára (Eng. gore), Ofri. gáre, On. geiri, afgel. van Mnl. geer, Os. gêr + Ohd. gêr (Mhd. gêr, Nhd. ger), Ags. gár, On. geirr = spies, in navegaar, aalgeer, elger. Werd overgenomen in Gr. gaîsos en Lat. gæsum, waaruit men voor Go. den vorm *gais vermoedt, zoodat r wisselvorm is van s gelijk in was, waren (z. gesel en gard). Hieruit Fr. giron.

gier 3 m. (geer, plooi), bijvorm van geer 2.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

geer 'wigvormig, spits toelopend stuk land'
Onl. ger(e) 'wigvormig, spits toelopend stuk land', mnl. ghere 'schuin toelopend pand van een kledingstuk, spits toelopend stuk land', ofri. gara 'pand van kledingstuk, schoot', mnd. gere 'spitstoelopend stuk goed of land', ohd. gero 'spies', oe. gara 'landtong', ono. geiri 'wigvormig stuk aan een kledingstuk'. Het toponiem is al oud, zoals de volgende voorbeelden tonen: 1135 kopie 14e eeuw in Paueia in loco qui Ger dicitur (bij Culemborg)1, ca. 1200 de agello qui Gere dicitur (bij Gendt)2, 1280-1287 vi morghen lants in dien ghere (bij Hazerswoude)3, 1295 van den vene, dat gheheeten es, de Gheer (tussen Aalsmeer en Calslagen)4 en anno 1306 In Reidwyk die Gheyr, dair die kerke op staet ... ende den anderen Gheyr bi den akene (omgeving Schiphol-Rijk)5.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 149, 2Idem 147, 3Corpus Gysseling 1, 498, 4Idem I 2211v, 5Van Mieris II 63.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geer ‘spits toelopende lap kleding of grond’ -> Frans giron ‘spits toelopende strook, driehoek, schoot’ Frankisch; Pools gara ‘spits toelopend zeil’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geer* spits toelopende lap kleding of grond 1135 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut