Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geelvink - (vogel; inlandse politieagent)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Gielfink Officiële friese naam voor de Geelgors ↑ [De Vries 1911; Boersma 1972; ViF 1979]. Albarda 1897 gaf als volksnaam voor de soort: Geelvink op, wat de letterlijke vertaling van Gielfink is, maar schreef er niet bij dat dit speciaal (ook) voor Friesland gold. Als speciaal friese naam gaf hij integendeel “Gelegeus” op, maar dit kan niet kloppen: Gelegeus past beter bij de Achterhoek of bij Limburg. B&TS namen het foute gegeven uit Albarda over.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

geelvink: (verouderd; destijds in Oost-Indië) inlands politieagent. Zie ook kanarie*.

Het spreekt van zelf, dat de taal van den Nederlander groote schakeeringen vertoont. In de sociëteit, aan bitter- en rijsttafel wordt er een heel wat lossere omgangstaal gesproken dan op de officieele bijeenkomsten. Daar ontwikkelt zich een taal doorspekt met allerlei Indische woorden, terwijl aan Nederlandsche woorden een zeer speciale beteekenis wordt gegeven. Een kanarievogel of geelvink is een inlandsch politieagent. (Jac. van Ginneken en H.J. Endepols, De regenboogkleuren van Nederlands taal, 1917)
Geelvinken werden de Bataviase agenten in die dagen genoemd naar de brede kanarie-gele bies langs de naad van hun broek; ze gingen nog blootvoets. (Johan Fabricius, Hop heisa, in regen en wind, 1964)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut