Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geel - (kleur)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Kleurenwaaier van emoties

Waarom, zo vroeg een lezer van deze rubriek, ergeren we ons ‘groen en geel’, terwijl groen en geel toch heel vrolijke kleuren zijn? Voor het antwoord op deze leuke vraag moeten we terug naar de zeventiende eeuw. Sinds die tijd komt de uitdrukking ‘Mijn ogen zien (alles) groen’ of ‘Ik zie groen’ voor, in de betekenis ‘Het duizelt me, ik kan door duizeligheid geen voorwerpen en kleuren meer onderscheiden.’ De beroemde dichter en toneelschrijver Bredero noteerde in 1612: “Hoe swindelt [duizelt] my myn hooft? Myn ooghen sien al groen.”

Afgunst
Vanaf ongeveer 1700 werd in deze uitdrukking geel toegevoegd aan groen, ongetwijfeld vanwege het allitererende effect: ‘Het wordt me groen en geel voor de ogen’ (of ‘voor het gezicht’) betekende ‘Alles draait voor mijn ogen.’ Vervolgens ging men dit ook gebruiken als aanduiding van een emotionele toestand. Zo schreef H.J. Schimmel in 1870: “Overal hoorde hij den schaterenden lach (…). Het werd meester groen en geel voor de oogen.”
De kleuren groen en geel werden van oudsher in verband gebracht met de emoties afgunst, jaloezie en woede. Shakespeare beschreef in 1603 in het treurspel Othello de jaloezie bijvoorbeeld als een monster met groene ogen. Maar ook zwart werd gebruikt om afgunst mee aan te duiden. De Dordtse arts Johan van Beverwijck sprak in 1636 van de “swarte Nijt” (‘afgunst’). De jaloezie werd door geneeskundigen toegeschreven aan een teveel aan gal, die zwart of geelgroen van kleur kon zijn; hierop gaan ook zwartgallig en gal spuwen (van woede) terug.
Pas rond 1900 vinden we groen en geel ook terug in zich groen en geel ergeren, voor ‘zich enorm ergeren’. Deze latere uitdrukking is ontstaan in het voetspoor van groen en geel voor de ogen en groen en geel van nijd. Er zijn ook andere talen waarin ergernis wordt uitgedrukt met kleurnamen. Zo kent het Duits sich gelb und grün ärgern of sich grün und blau ärgern, en het Fries it waard him grien en blau foar de eagen.

Donkerbruin
Bruin is een andere kleur waarmee gevoelens worden aangeduid. Donkerbruin komt voor in een donkerbruin vermoeden hebben, dat nog maar bestaat sinds 1971. Er wordt vaak beweerd dat donkerbruin hier verwijst naar ‘het goed doorbakken zijn van broodjes e.d.’, waarmee dan figuurlijk bedoeld zou zijn dat het vermoeden ‘klaar’ is, oftewel een vaste vorm heeft. Maar omdat de uitdrukking altijd betrekking heeft op ongunstige feiten, lijkt het waarschijnlijker dat het een speelse variant is van de oudere zegswijze een duister vermoeden hebben, waarin duister eveneens een figuurlijke negatieve betekenis heeft.
Maar bruin in ‘Hij bakt ze bruin’ (‘Hij overdrijft erg, hij maakt het te gek’) verwijst wel degelijk naar het bruinbakken van broodjes. De uitdrukking komt voor het eerst voor in een kort verhaal in de Peel- en Kempenbode van 12 november 1904, waarin een pasgehuwde vrouw tijdens de wittebroodsweken tot de ontdekking komt dat haar man vroeger als clown in het circus heeft gewerkt: “ʻJe bakt ze bruin, Willem’, zei ze, ‘ik weet niet wat ik ervan denken moet. Maak je altijd zulke – fratsen?’”

Bont
Veel ouder is het te bont maken: in 1573 waarschuwde men al “Maket niet te bont.” Bont wordt hier niet letterlijk gebruikt voor ‘veelkleurig’, maar figuurlijk voor ‘opvallend, zich onderscheidend’ en ‘losbandig, onbehouwen’: bont spreken betekende ‘trots spreken’ en bont slaan ‘in het wilde weg erop los slaan’. Een eigen draai aan de verklaring gaf de bekende spreekwoordenverzamelaar Carolus Tuinman in 1727; volgens hem sloeg bont op kleding: iemand die ‘het te bont maakte’, was te fleurig gekleed, was boven zijn stand gekleed. Maar in geen van de vele oude contexten waarin bont in de betekenis ‘baldadig’ voorkomt, is een verwijzing te vinden naar bonte kleding. Vanaf het begin van de twintigste eeuw wordt bont ook vervangen door grijs: het te grijs maken. Deze kleur zal gekozen zijn omdat grijs staat voor ‘oud’ en ‘ellendig’, waarbij te grijs een variant is van de oudere uitdrukking te groen, die onder meer in het Gronings is overgeleverd: da’s te gruin (‘te erg, te grof’).
In al deze gevallen hebben kleurnamen een overdrachtelijke, emotionele betekenis gekregen. Uitdrukkingen als blauw liggen van het lachen of een rood waas voor de ogen krijgen verwijzen letterlijk naar lichamelijke gewaarwordingen, maar ze hebben zich losgezongen van hun oorspronkelijke betekenis. Dat blijkt ook uit deze mop uit de oude doos, in 1911 in een krant verteld: “Schoenmaker: ‘Nu, zóó erg zullen u die schoenen toch wel niet knellen?’ Heer: ‘En ik zeg u, zóó erg, dat ’t me groen en geel voor mijn eksteroogen wordt.’”
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Kleurenwaaier van emoties’, in: Onze Taal 1.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geel bn. ‘citroenkleurig, goudkleurig’
Mnl. gele ‘saffraankleurig, waskleurig’ [1240; Bern.], dat gele cleed ‘het gele kleed’ [1276-1300; CG II, Lut.A], hingen om hem enen mantel van ghelen samite ‘hingen hem een mantel van geel fluweel om’ [1291-1300; VMNW]. Gebruikelijker is in het mnl. echter nog de vorm g(h)elu(w): blau roet swart ghelu ende wit ‘blauw, rood, zwart, geel en wit’, [1287; CG II, Nat.Bl.D], blaeuwe, geluwe, rode ‘blauwe, gele, rode [1300-25; MNW-R]. In het vnnl. komen beide vormen nog naast elkaar voor: alle bloemkens ghelu, peersch, blau ’alle bloemetjes, geel, paars, blauw [1528; WNT geluw], gheel hayr ‘blond haar’ [1599; Kil.], geluw hayr ‘blond haar’ [ca. 1650; WNT]; in het nnl. betekent geluw ‘bleek, flets van huid’, in gy zijt nog krank en zwak, en geluw ook [ca. 1825; WNT]; als variant van het neutrale kleurwoord geel is het tegenwoordig nog uitsluitend dialectisch.
Os. gelo, -u, ohd. gelo (nhd. gelb); oe. geolu, geolo (ne. yellow), nfri. geel, giel < pgm. *gelwa- ‘geel’. Met nultrap: on. gulr (nzw. gul); < pgm. *gulwa-.
Verwant met: Latijn helvus ‘dofgeel’; Litouws želvas ‘groenachtig’; < pie. h(e)lh3-uo-, bij de wortel helh3- ‘geel, groen’ (IEW 429-430), zoals ook met diverse uitbreidingen in de kleurnamen: Latijn holus ‘groente’ (< *helus < pie. hlh3-os); Grieks khlōrós ‘groengeel’ (< pie. hlh3-ró-, zie → chloor); Sanskrit hári- ‘geelachtig’, híranya- ‘goud’ (< pie. hlh3-en-); Avestisch zari- ‘geel’; Litouws žalas ‘roodbruin’, žalias ‘groen’ (< pie. holh3-(i)o-), žilas ‘grijs’ (< pie. hlh3-o-); Proto-Slavisch žĭltŭ ‘geel’ (Russisch žëltyj, Tsjechisch žlutý), Oudkerkslavisch zelenŭ ‘groen’ (< pie. helh3-en-; Russisch zelënyj, Tsjechisch zelený), zelije ‘groente’ (Russisch zél'e, Tsjechisch zelí ‘kool’). Zie bij dezelfde wortel ook → gal 1 en → goud. Zie ook → gloeien en → glans.
In het Middelnederlands is het woord in de nominatief ghelu en in andere naamvallen ghelew-; een alternatieve nominatief gheleu lijkt een compromisvorm tussen beide (VMNW). Op basis van de gereduceerde nominatief ghele is een nieuwe stam ghe(e)l- ontstaan. De vorm geluw gaat terug op de verbogen vormen, waarin de -w- bewaard bleef; hetzelfde geldt voor Engels yellow.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geel1* [kleur] {geel (en naar de verbogen nv. gelu) 1201-1250} oudsaksisch gelu, oudhoogduits gelo, oudengels geolu (engels yellow); buiten het germ. latijn helvus, grieks chlōros [geelgroen]; nauw verwant met gal1 (vgl. geluw).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geel bnw., mnl. ghēle (naar verbogen casus ghēlu, vgl. vlaams geluw), os. gelo, ohd. gelo (nhd. gelb), oe. geolo (ne. yellow), waarnaast abl. on. gulr. — lat. helvus ‘geel’ (< *ĝhelu̯os), oi. hari ‘blond, geel, vaal’, av. zari ‘geel, geelachtig’, oiers gel ‘licht, wit’, lit. želvas ‘groenachtig’ lit. žal̃vas ‘groen’, osl. zelenŭ ‘groen’ (IEW 429-30).

Voor verdere verwanten zie onder: gal 1, en verder nog: gul 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geel bnw., mnl. ghēle (ook ghēlu naar de verbogen casus; vla. nog geluw) “geel, blond”. = ohd. gëlo (nhd. gelb), os. gëlo, ags. geolo (eng. yellow) “id.”, germ. *ʒelwa-; met ablaut on. gulr “id.”. Germ. *ʒelwa- = lat. helvus “geel” (met opvallende e; te verwachten was *holvus), lit. żelvas “groenachtig”. Vgl. verder ier. gel “wit”, lat. lûridus (ĝhl-) “vaal”, gr. khlōrós “groenachtig, geelachtig”, khloos “groen”, obg. zelenŭ, lit. żālias “groen”, phryg. zelkia “grünkohl”, oi. hári- “geel, goudachtig, groenachtig”. Naast ĝhel- staat ghel- in lat. fel “gal”, russ. žolt, serv. žût “geel”, lit. gel͂tas “vaalgeel”, phryg. glouros “goud”. Vgl. gal I en goud. Lat. fulvus “roodgeel, bruingeel’* kan òf hierbij hooren (vgl. dan vooral on. gulr) òf bij lit. dúlsvas “vuilwit”. Vgl. nog gul I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geel bijv., Mnl. ghele, ghelu, Os. gelo + Ohd. gelo (Mhd. gel, genit. gelwes, Nhd. gelb), Ags. geolo (Eng. yellow), On. gulr (Zw. en De. gul): alle uit gelw- + Skr. haris, Gr. khlōrós, Lat. helvus, Osl. zelenŭ, Lit. żãlias; verwant met gal, goud, gloeien: Idg. wrt. g̃hel, waarnevens wrt. ɡhel. De o, u, ǝ is vocalisatie van de slot-w van den stam. Het denom. is Wvl. gilven, waaruit Wvl. bijv. gilf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

geel b.nw., s.nw.
Met 'n kleur wat ooreenstem met dié van botter, ryp suurlemoene, of dergelike, of sodanige kleur.
Uit Ndl. geel (Mnl. gele, gelu), oorspr. nou verwant met Ndl. gal.
D. gelb, gewestelik gehl.
Vgl. Eng. yellow.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

geel: gele erwten (mv.), uit India ingevoerde spliterwten afkomstig van een aldaar gekweekte vorm van wandoe* (Cajanus cajan, Bonenfamilie*). Op de tafel stond haar bord, volgekwakt met stukjes kip van de vorige avond, rijst en gele erwten (Vianen 1969: 49). - Etym.: De kleur is geel. - Syn. dal*, gele pesi*.
— : zie gele fajalobi*, kabbes* (II), kana*, kost*, pesi*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

geel: bep. kleur; Ndl. geel (Mul. ghele/ghelu, (dial.) Vl. nog geluw), Hd. gelb, Eng. yellow, hou verb. m. Lat. helvus, “geel”, misk. ook m. Lat. fel, “gal”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geel (geluw) van den Idg. wt. ghel = geel zijn; ook de wortel van gal, goud en gloeien. Bij Bredero ook kaluw voor kaal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geel ‘kleurnaam’ -> Negerhollands geel, gēl ‘kleurnaam’; Berbice-Nederlands geli ‘kleurnaam’; Papiaments hel (ouder: geel, heel) ‘kleurnaam’; Sranantongo geri (ouder: geel) ‘kleurnaam’; Paramakaans geli ‘kleurnaam’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

blauw. In 1859 is het eerste woordenboek van het Papiaments verschenen. Een exemplaar ervan werd in 1958 teruggevonden, maar zonder titelpagina, zodat auteur, titel, uitgever en plaats en tijd van uitgave onbekend waren. Recent onderzoek echter heeft de ontbrekende gegevens opgeleverd, en in 2004 is een heruitgave van het werk verschenen onder de titel Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden met Zamenspraken, door Bernardus Th.J. Frederiks en Jacobus J. Putman, 1859, Curaçao, Drukkerij van het vicariaat. Putman was verantwoordelijk voor het deel Zamenspraken (dialogen), dat een herdruk was van een reeds in 1853 gepubliceerd boek, terwijl Frederiks de woordenlijst had samengesteld. Op pagina 34 staat een overzicht van kleurnamen in het Papiaments en het Nederlands. Hier staan vermeld:

blankoe - wit, prétoe - zwart, koraal - rood, blaauw/azoel - blaauw, geel (heel) - geel, bérde - groen, bruin - bruin, grijs - grijs, cjinísji - aschgraauw, morá - paars, bleek - bleek.

Aan dit rijtje valt op dat een aantal Papiamentse kleurnamen ontleend is aan het Nederlands, namelijk blauw, geel, bruin, grijs en bleek. De overige namen gaan terug op het Portugees of Spaans. De genoemde Nederlandse leenwoorden komen nog steeds voor in het Papiaments, tegenwoordig op Curaçao gespeld als blou, hel, brùin, gris en blek (gris is inmiddels qua spelling aangepast aan het Spaanse gris). Blauw en geel zijn (naast rood) de primaire kleuren, kleuren dus waarvan je niet verwacht dat de namen uit een andere taal worden overgenomen. Als secundaire kleuren, die ontstaan door menging van twee primaire kleuren, gelden oranje, groen en violet. Van deze drie is de Nederlandse naam oranje door het Papiaments geleend in de vorm oraño. Tevens heeft het Papiaments ros geleend, teruggaand op roze.

Het Indonesisch heeft uit het Nederlands de kleurnamen belau 'blauw' en oranye 'oranje' geleend, en de mengkleuren lila, okér, pastél en violét. Het Sranantongo heeft geleend blaw 'blauw', breiki 'bleek', broin 'bruin', geri 'geel', grun 'groen', oranye 'oranje', persi 'paars' en misschien weti 'wit' (dat laatste kan ook uit het Engels komen; het Sranantongo is immers een Engelse creooltaal).

Nederlandse kleurnamen zijn niet alleen geëxporteerd naar de vroegere koloniën, maar ook naar enkele Europese landen. In dat geval echter beduiden ze niet een kleur, maar een specifieke záák met die kleur. Zo is in het Portugees zuarte de benaming voor een soort katoenen weefsel van zwarte kleur. Engels Bruin of bruin, uitgesproken als /broe-in/, wordt gebruikt als eigennaam ter aanduiding van de bruine beer, bijvoorbeeld: 'During the autumn Bruin may not unfrequently be seen near the vineyards' (in de herfst kan men regelmatig Bruin(tje) tegenkomen in de buurt van de wijngaarden). Het Engels heeft dit woord al in de tweede helft van de vijftiende eeuw overgenomen; het gaat terug op Bruin de Beer, de naam van de beer in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reinaerde. Dit dierenepos is in veel talen vertaald, waaronder het Engels. De naam Bruin wordt ook wel gegeven aan een bruingekleurd huisdier, zoals een abessijn.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat kleurnamen van de ene taal in de andere worden overgenomen: kleuren zijn toch universeel, dus iedere taal zal daarvoor toch wel een eigen benaming bezitten? Toch blijkt dat juist kleurnamen zeer regelmatig zijn geleend van de ene taal in de andere, kennelijk omdat de brontaal kleurnuances onderscheidde die tot dan niet voorkwamen in de ontlenende taal. Zo zijn de Germaanse namen voor kleuren die in de Nederlandse woorden blank, bruin, grijs en vaal zijn blijven voortleven, overgenomen door het vulgair Latijn en vandaar in de Romaanse talen. Waarschijnlijk duidden de Germaanse soldaten met deze namen de kleur van hun paarden aan; in ieder geval verwezen ze naar kleurnuances die voordien bij de Romeinen geen benaming hadden. In het Frans vinden we de Germaanse woorden terug als blanc, brun, gris en fauve. De Romeinen hebben ook het woord voor de typische haarkleur van de Germanen overgenomen, namelijk 'blond', dat in het Frans blond is geworden en in het Nederlands weer is teruggeleend. Het Nederlandse blond is op zijn beurt geleend door het Papiaments als blònt.

In een latere periode heeft het Nederlands allerlei kleurnamen ontleend aan het Frans, die kennelijk tinten aanduidden die tot dan bij ons onbenoemd waren, of die in een bepaalde periode in de mode raakten: in de dertiende eeuw de namen oranje, paars, scharlaken en violet, in de veertiende eeuw azuur en vermiljoen, in de vijftiende eeuw roze, in de zestiende eeuw oker, in de zeventiende eeuw tur­koois, in de achttiende eeuw pastel, en in de negentiende eeuw beige en lila. Een deel van deze geleende namen hebben we vervolgens weer uitgeleend aan andere talen, zo bleek hierboven. Uit de dateringen blijkt dat de kleurnamen niet allemaal tegelijk zijn geleend, maar geleidelijk naarmate het kleurenpalet, ook in het Frans, zich uitbreidde. Ongetwijfeld heeft de internationaal georiënteerde schilderkunst een belangrijke rol gespeeld bij de overname van de kleurnamen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geel* kleurnaam 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

geel krijgen, een waarschuwing, een gele kaart krijgen in een voetbalwedstrijd. Ook wel meer algemeen voor ‘een ernstige waarschuwing krijgen’.

... en iedere keer als hij stevig tackelt en weer geel krijgt, maakt Roda zich ernstig zorgen. (Nieuwe Revu, 15/03/95)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

734. Het wordt iemand groen en geel voor de oogen (of voor het gezicht),

d.w.z. alles draait hem voor de oogen, t.w. als het gevolg van een aanhoudend turen, staren of overmatige gezichtsinspanning, of wel van eene plotselinge duizeligheid, bedwelming, enz.Zie J.v. Ginneken in Leuv. Bijdr. X, 128.; vgl. het hd. es wird einem grün und gelb (oder grün und blau, braun und blau oder ganz schwarz) vor den Augen; eng. it made my feel quite blue; Brederoo I, 132, 815: Hoe swindelt my myn hooft? Myn oogen syn al groen; C. Wildschut I, 55: 't Wordt geel en groen voor myne oogen; Ndl. Wdb. IV, 663; V, 821 en Waasch Idiot. 266: groen en geel worden, alle kleuren krijgen, verstomd zijn; Teirl. 519: groen en geleve werden; er groen en gelev' uitzien, alle kleuren krijgen; buitengewoon onthutst, verstomd, verbaasd zijn; fri. it wird my grien en blau foar de eagen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut