Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gedurig - (aanhoudend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gedurig bn. ‘aanhoudend’
Mnl. gedurich, gedurech ‘blijvend, duurzaam’, in si niet ter werelt en ghevinden dat ghedurech si ‘zij vinden niets in de wereld dat blijvend is’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], vanden besten houte, ende vanden gedurechsten ‘van het beste en duurzaamste hout’ [1300-50; MNW], ook ‘standvastig, onverschrokken’, in goede gedurege liede ‘goede, dappere krijgslieden’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. gedurig ‘duurzaam, blijvend’, in de liefde blijft gedurigh [ca. 1600; WNT], ook ‘standvastig’, in ghy die ... selden zijt gedurigh [1617; WNT], dan ook ‘aanhoudend, niet onderbroken’, bijv. in eene geduerige maeltijt [1688; WNT]; in het vnnl. komt daarbij nog de betekenis ‘steeds terugkerend, telkens’ op [1691; Sewel], bijv. in hy ... zag geduurig op zyn orloge ‘hij keek telkens op zijn horloge’ [1785; WNT].
Afleiding, met het achtervoegsel → -ig, van het verouderde werkwoord geduren ‘voortduren, aanhouden; uithouden’, dat zelf een afleiding is, met het voorvoegsel → ge- (sub f), van → duren.
In de betekenis ‘volhardend, standvastig (van personen)’ is gedurig in de 19e eeuw verouderd (WNT), maar de betekenis ‘niet volhardend, niet standvastig’ bestaat nog steeds in ongedurig.
ongedurig bn. ‘onrustig’. Mnl. ongedurech, ongedurich ‘vergankelijk, niet duurzaam’, in hoe ongedurech dat es dit leven ‘hoe vergankelijk dit leven is’ [1300-50; MNW-R], ook ‘onstandvastig, wispelturig’, in onghedurech ende onghestade ‘wispelturig en onstandvastig’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. ongeduerich ‘lastig, ongeduldig, onrustig, onstandvastig, onstuimig’ [1573; Thes.]; in het nnl. nu alleen nog ‘onrustig’, bijv. in men staat op, men gaat weer zitten, men wordt ongedurig [1866; WNT]. Afleiding, met het ontkennende voorvoegsel → on-, van gedurig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gedurig bnw., eerst mnl. ‘herhaaldelijk’, mnl. ghedûrich ‘standvastig, bestendig’. — Zie: duren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gedurig bnw. De bet. “herhaaldelijk” is eerst nnl. Mnl. ghedûrich = “standvastig, bestendig”. Zie duren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gedurig b.nw.
1. Sonder ophou. 2. Telkens, kort-kort, herhaaldelik.
Uit Ndl. gedurig (1655 in bet. 1, 1731 - 1735 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut