Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geduld - (kalme volharding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geduld zn. ‘kalme volharding’
Onl. thu bist gethult min ‘gij zijt mijn verwachting’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ende (God) sal ghedult hebben in hem ‘en God zal geduld met hen, vertrouwen in hen hebben’ [1332; MNW-P]; ook in de vormen gedolt en gedout, in vecht v ane ongedout, die verdrift met gedout ‘als ongeduld u aanvecht, verdrijf die dan met volharding’ [1290; MNW-P], ich hain gedolt ‘ik heb geduld, vertrouwen’ [1410; MNW-R]; ook in de betekenis ‘vermogen tot volharding, geestkracht; kracht, macht’ in (God) sprac in sijn ghedolt ‘God sprak in zijn almacht’ [1470-90; MNW-R].
Afleiding, met het voorvoegsel → ge- (sub f) van het werkwoord → dulden ‘verdragen’.
Os. gituld; ohd. githult, kidult, gedult (nhd. Geduld); oe. gethyld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geduld* [lijdzaamheid, volharding] {oudnederlands gethult 901-1000, middelnederlands gedout en (naar de gebogen nv.) gedult [lijdzaamheid, geestkracht]} oudsaksisch githuld, oudhoogduits gidult, oudengels geðyld, gevormd van dulden. Het woord werd gebruikt ter vertaling van latijn patientia.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geduld znw. o., mnl. ghedout o. ‘geduld; geestkracht; kracht, macht’, zelden ghedult (naar de verbogen casus en gheduldich), onfrank. gethult, os. githuld, ohd. gidult, oe. geðyld v. ‘geduld, lijdzaamheid’ < wgerm. *(gi-)þuldi-, dat mogelijk onder invloed van lat. patientia bij pati ‘lijden’ gevormd is van het ww. þolēn, þolōn. — Zie : dulden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geduld znw. o., mnl. ghedout(d) o. (ook = “geestkracht, kracht, macht”), zelden ghedult: deze vorm is naar de verbogen casus en naar gheduldich (met umlaut) naast ghedolt > ghedout (zonder umlaut) opgekomen; vgl. geweld. = onfr. gethult(d), ohd. gidult (nhd. geduld), os. githuld, ags. geðyld v. “geduld, lijdzaamheid” < wgerm. *(ʒi-)þuldi-, dat wsch. niet op idg. “telə-tí- teruggaat, maar onder invloed van lat. patientia bij pati “lijden” eerst later is gevormd bij *þolên, -ôn “id.”. Vgl. barmhartig. Zie dulden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gedöld (zn.) geduld; Aajdnederlands gethult <901-1000>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geduld (vert. van Latijn patientia)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geduld ‘lijdzaamheid, volharding’ -> Negerhollands geduld, gedyld ‘lijdzaamheid, volharding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geduld* lijdzaamheid, volharding 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut