Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gedogen - (dulden, toelaten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gedogen ww. ‘dulden, toelaten’
Mnl. doen sis oec niet so moten si gedogen de pine ‘doen zij het niet, dan moeten zij de boete, de straf ondergaan’ [1236; CG I, 21], gedogen ‘lijden, ondergaan; verdragen, doorstaan’ [1240; Bern.], so mochtmen ghedoghen ‘dan zou men kunnen toestaan, gedogen, accepteren’ [1240-60; CG I, 70]. Daarnaast bestond het werkwoord dogen zonder het voorvoegsel ge-, in dezelfde betekenissen: dogen arbeit ende pine ‘pijniging en leed ondergaan’ [1276-1300; CG II, Kerst.], dat moesti dogen, hi moestet dogen ‘hij moest het verdragen, kon er niets tegen doen’ [1321; MNW dogen].
Afgeleid van het Middelnederlandse werkwoord dogen met dezelfde betekenissen, met het voorvoegsel → ge- (sub f), met versterkende functie. Het werkwood dogen is verwant met → deugen, en betekent letterlijk ‘zich goed kunnen houden, kunnen uithouden’.
Os. ādōgian ‘bestand zijn tegen’, mnd. gedogen ‘dulden, verdragen’; oe. gedīegan ‘dulden, verdragen’. Zonder voorvoegsel ofri. dēya ‘dulden, verdragen’, mnd. dogen ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gedogen* [dulden] {1236} behoort bij deugen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gedogen ww., dial. ook dogen (Zaans), mnl. dōghen, ghedōghen ‘lijden, geduldig zijn, toestaan’, os. adōgian ‘bestand zijn tegen’, ofri. dēya ‘dulden, verdragen’ (naast dāia). — Betekent eig. ‘kunnen uithouden’ en is verwant met deugen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gedoogen ww., dial. ook doogen (Zaansch), mnl. dôghen, ghedôghen “lijden, lijdzaam zijn, geduldig zijn, toestaan”. = os. ă-dôgian “bestand zijn tegen”, ofri. dêya — waarnaast dâia naar de 2de zwakke klasse — “dulden, verdragen”, ags. gedîegan “id., ontkomen”. Oorspr. bet. “kunnen uithouden’’. Verwant met deugen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] gedoogen. Identiteit van ofri. dâia en dêya is a priori waarschijnlijker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gedoogen o.w., Mnl. ghedoghen, Os. adôgian + Ags. gedíegan, Ofri. déya: is factit. van deugen met reflex. bet., dus = zich deugdelijk maken, kunnen verdragen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gedogen ‘dulden’ -> Fries gedoge ‘dulden’; Noors døye ‘verduren, lijden, dulden’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gedogen* dulden 1236 [CG I1, 21]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut