Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gedijen - (voorspoedig groeien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gedijen ww. ‘voorspoedig groeien’
Onl. thīon ‘in overvloed zijn’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gedīen ‘groeien, tot wasdom komen’ in mar ine kan niet gedien, ine hebbe mine amyen ‘maar ik kan niet tot wasdom komen, als ik mijn vriendin niet heb’ [1250; CG II, Trist.], dīen [1285; CG II, Rijmb.].
Afleiding met het versterkende voorvoegsel → ge- van een werkwoord met de oorspr. betekenis ‘samentrekken’; de betekenisontwikkeling verliep wrsch. via ‘stevig worden, sterk worden’ naar ‘toenemen, groeien, tot wasdom komen’. Zie ook het verl.deelw.gedegen en → uitdijen.
Os. (gi)thīhan; ohd. (gi)thīhan ‘gedijen’ (nhd. gedeihen); ofri. thīgia (nfri. dije); oe. (ge)þēon; got. (ga)þeihan; < pgm. *þinh-an- /*þenh-an- ‘gedijen’. Het sterke werkwoord behoort in het Oudengels tot de 3e klasse; de 1e klasse (reeds zeer vroeg, in het Gotisch) moet secundair zijn, veroorzaakt door de klankwettige uitval van de -n- met compensatierekking van de klinker, waardoor presens en infinitief in vorm overeenkwamen met die van de 1e klasse.
Verwant met: Sanskrit tanákti ‘trekt samen’, takra-m ‘karnemelk’, Perzisch tanjidan ‘samentrekken’, talxina ‘karnemelk’, Afghaans tat ‘dicht’, Avestisch taxma- ‘sterk, dapper’, Litouws tankus ‘compact, dicht’, Russisch túča ‘wolk’, Sloveens tek ‘het gedijen, voorspoed’, Oudiers techt ‘gestold’, Welsh tynged ‘geluk’, Bretons toñket ‘lot’; < pie. *tenk- ‘zich samentrekken, stollen’, waarbij met uitbreiding ook → dicht.
In verband met melkproductie betekende pie. *tenk- ‘stremmen’; *t(e)nk-lo-m is ‘gestremde melk’, waaruit onder meer Nieuwijslands þél ‘id.’; de uitbreiding pie. *tenk-to ‘dicht’ heeft geleid tot onder meer nzw. (dial.) tätt(e), tete ‘leb, stremsel’, nzw. tät-mjölk ‘gestremde melk’. Tacitus noemt lac compactum als gebruikelijke voeding bij de Germanen; volgens Hellquist is dat deze gestremde melk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gedijen* [voorspoedig groeien, welvaren] {gediën, gedijen (verl. deelw. gedeghen) [groeien en bloeien, toenemen in omvang] 1265-1270} van ge- + oudnederlands thion [overvloedig zijn], oudsaksisch (gi)thihan, oudhoogduits (gi)dihan, oudengels gedheon, gotisch þeihan [gedijen]; buiten het germ. oudiers técht [gestold], litouws tankus [dicht], oudindisch tanakti [hij doet, laat stremmen]; vermoedelijk is de laatste betekenis de oorspronkelijke en is ‘dik worden’ daarvan afgeleid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gedijen ww., mnl. ghedîen (ook dîen), ghedeech, ghedēghen ‘gedijen, groeien, worden’, onfrank. thīon ‘overvloedig zijn’, os thīnhan, githīhan, ohd. dīhan, gidīhan (nhd. gedeihen), oe. geðēon, got. þeihan ‘gedijen’. Het germ. ww. *þīhan zal ontstaan zijn uit *þinhan en daarna in een andere klasse zijn overgegaan (oorspr. *þang, gaþungan, vgl. nog oe. verl. tijd ðungon en deelw. geðungen). — Idg. wt. *tenk ‘samentrekken, dik worden, gedijen’, vgl. oi. tancati, tanakti ‘trekt samen’, av. taxma- ‘dapper, flink’, oiers con-tēci ‘stolt’, techt ‘gestolten’, lit. tánkus ‘dicht, vaak’, klruss. ťaknuty ‘steunen’ (IEW 1068). — Zie ook: dege en gedegen.

Het noordgerm. heeft het ww. verloren, maar kent de afleidingen on. þēttr ‘dicht’, nijsl. þēl ‘karnemelk’, on. þang ‘zeewier’, þengill ‘vorst, heer’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gedijen ww., minder vaak dijen, mnl (ghe)dîen, (ghe)deech, ghedēghen “gedijen, groeien, worden”. ’t Oude deelwoord nog in gedegen (goud). Het oudnnl. dijgen ontstond naar analogie van gedegen, eventueel ook van den verleden tijd deeg, degen. Een germ. st. ww.: onfr. thîon “abundare”, ohd. (gi-)dîhan (nhd. gedeihen), os. (gi-)thîhan, ags. ge-ðêon, got. þeihan “gedijen”, in verschillende talen ook “worden, in een toestand komen”. Op grond van ags. geðungen, os. githungan “voortreffelijk, deftig”, os. ā̆thengian “volbrengen” (vgl. ook langob. in angargathungi “secundum qualitatem personae”) leidt men gewoonlijk germ. *̆þîχanan uit *þîŋχanan > *þeŋχanan af, dat dan met ier. co-têcim “ik doe stollen”, tôcad “geluk” (ook anders verklaard), klruss. tʹaknuty “van nut zijn”, lit. tenkù “ik kom uit met, heb genoeg”, tánkus “dicht”, oi. âtanákti “hij doet stollen, trekt samen”, av. taxma- “compact, sterk”, superl. tančišta- verwant is. Vgl. ook dicht. De conjugatie naar de germ. eerste sterke klasse kan dan eerst dateeren van na den overgang -eŋχ- > -iŋχ- > -îχ-. Wsch. gaat germ. þȋχ- zoowel op idg. teŋq- als ook op idg. teiq- terug: vgl. lit. tìkti “passen, geschikt zijn”, teĩkti “voegen, ordenen”, taikùs “gelijkmatig ingericht” e.a. balt. woorden; deze kunnen wel bij teŋq- worden gebracht, maar die verklaring is vrij gewrongen. Dege (zie aldaar) kan aangaande den oudsten vorm niets bewijzen, ’t is eerst een jong verbaalnomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gedijen, z. dijen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gedijen* voorspoedig groeien, welvaren 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

708. Gestolen goed gedijt niet,

ook onrechtvaardig (of oneerlijk) goed gedijt (of bedijt) niet; lat. male parta male dilabuntur; mlat. de male quesitis non gaudet tercius heres; fri. stellen goed dyt net (vgl. Salomo, Spreuken X, 2). Sedert de middeleeuwen bekend, blijkens Lekensp. III, 4, 180: Onrecht goet gherne tegaet; Bouc v. Seden, 166: Selden sietmen becliven tgoet dat qualike es ghewonnen, syn. van qualic vercregen, onverre ghedregen; zie verder Goedthals, 34: quaet goed en rijckt niet, de bien mal acquis ne iouit le tiers hoir; Servilius, 148*: onrecht goet en beclyft niet; Sartorius III, 4, 30: onrechtveerdigh goet rijckt niet, waarvoor we bij Coster, 511, vs. 451 lezen: 't Ghestolen goet en streckt niet; bij Heinsius, Verm. Avant. 2, 310: Onrechtvaardig goed gedyt niet. Zie Harrebomée I, 248 b; Joos, 187; Antw. Idiot. 2234: onrechtveerdig goed gebenedijdt niet; Büchmann, 355; Wander I, 1657: unrechter Gewinn ist bald dahin; unrecht Gut gedeiht oder reichet nicht; fr. bien mal acquis ne profite pas; du diable vint au diable retourne; eng. ill-gotten goods seldom prosper or thrive. Vgl. no. 688.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut