Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gedeelte - (deel van een geheel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gedeelte zn. ‘deel van een geheel’
Mnl. eerst ook zonder het achtervoegsel -te: so wien so uan yemens doet ghedeel gheualt ‘al wie als gevolg van iemands dood een erfdeel toekomt’ [1237; CG I, 38], heen derde ghedeel ‘een derde gedeelte’ [1297; CG I, 2449], ghedeilte ‘toekomend erfdeel (van dochters)’ [1340-60; MNW-R], dat Adam gemaect es van acht stucken ... ende leert hier ... waer men elc gedeel sal kinnen ‘dat Adam gemaakt is uit acht stukken en verneem nu waaraan men ieder deel kan onderscheiden’ [1351; MNW gedeel], ghedeilte ‘toekomend erfdeel (van een broer)’ [1432; MNW-R], hi moet haer gheuen een ghedeilte van sinen goede ‘hij moet haar (de vrouw die hij verstoot) een (haar toekomend) gedeelte van zijn bezit geven’ [1462; MNW-P]; vnnl. het Noorderste Gedeelte deser Stadt ‘het meest noordelijke deel/kwartier van de stad’ [1671; WNT uitschieten]; nnl. een gedeelte der lading ‘een deel van de lading’ [1734; WNT Supp. averij], een ... gedeelte van een gebouw ‘een deel van een gebouw’ [1740; WNT Supp. attisch], het onderste gedeelte ‘het onderste deel (van een brief)’ [1786; WNT].
Collectiefafleiding van → deel met → ge-te. Uit de oorspronkelijke collectieve betekenis van verzameling van (enkele) delen ontwikkelde zich weer de concrete betekenis van deel, zodat deel en gedeelte vaak hetzelfde betekenen en door elkaar worden gebruikt.
In het mnl. bestonden g(h)edeel en g(h)edeelte naast elkaar; gedeelte betekende eerst vooral ‘deel waar iemand recht op heeft, erfdeel, uitkering uit de verdeelde boedel’; gedeel had vergelijkbare betekenissen en daarnaast de algemenere betekenis ‘onderdeel van een geheel’, die later door gedeelte is overgenomen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gedeelte* [deel] {gedeel(te) 1237} afgeleid van gedelen [onderling verdelen], van delen [delen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gedeelte znw. o., mnl. ghedeelte ‘aandeel uit een boedel’ (vooral susterghedeelte), evenals mnl. ghedeel, afgeleid van delen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gedeelte znw. o. Mnl. ghedeelte o. (vooral susterghedeelte) = “aandeel uit den boedel”; “gedeelte” is mnl. ghedeel o.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gedeelte ‘deel’ -> Duits dialect † Gedeelte ‘gebied in het veen van 20 tot 25 roede breed en 50 roede lang’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gedeelte* deel 1237 [CG I1, 38, 39]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal