Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebruiken - (zich bedienen van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gebruiken ww. ‘zich bedienen van’
In het Middelnederlands met en zonder ge-: gebruken ‘genieten van, verkrijgen’ [1240; Bern.], gebruken sullen ‘het volledige gebruik zullen hebben’ [1292; CG I, 1823], to brukene ‘het (vrucht)gebruik te hebben’ [1300; CG I, 2807], die Joden ne ghebruken niet metten Samaritanen ‘de Joden gaan niet met de Samaritanen om’ [1348; MNW], deser macht en bruken wi niet ‘van deze macht maken wij geen gebruik,... oefenen wij niet uit’ [1300-50; MNW], rusten ende slaeps ghebruken ‘rusten en slaap genieten’ [1450-1500; MNW]; vnnl. ook nog wel zonder ge-: lindt datmen tot schaetsen bruycken ‘band dat men voor schaatsen gebruikt’ [1611; WNT bruiken], bruyck met hem jouw jeught ‘geniet met hem van je jeugd, breng met hem je jeugd door’ [1645; WNT bruiken].
Afgeleid van een na het Vroegnieuwnederlands niet meer gebruikt werkwoord bruiken ‘gebruiken, genieten’ met het versterkende voorvoegsel → ge- (sub f).
Os. brūkan, ohd. (ga)brūkan ‘genieten, gebruiken’ (nhd. (ge)brauchen ‘gebruiken, nodig hebben’); oe. (ge)brūcan ‘gebruiken, nodig hebben’ (ne. brook ‘dulden’); ofri. brūka ‘nodig hebben’ (nfri. brûke ‘gebruiken’); on. brúka (nzw. bruka ‘gebruiken, bebouwen, gewoon zijn’); got. brūkjan ‘gebruiken’; pgm. *brūk- ‘gebruiken’.
Verwant met Latijn fruī ‘gebruiken, genieten’ (zie → fruit); < pie. *bhrūg- (IEW 173).
In het Oudengels is het werkwoord brūcan sterk; sporen van een sterke vervoeging zijn ook in het Middelnederlands aanwezig: aldus ghebroec mijn sone wel sijns werchs ‘zo had mijn zoon genot van zijn werk, zo zag hij de vruchten van zijn werk’ [ca. 1400; MNW].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gebruiken* [zich bedienen van] {gebruken [genieten van (vooral liefde), iemands omgang genieten, gemeenschap hebben met (bv. God, thans een meisje ‘gebruiken’), gebruik maken van] 1201-1250} oudsaksisch brukan, middelnederduits (ge)bruken, oudhoogduits (ga)bruhhan, oudfries bruka, oudengels (ge)brucan, gotisch brukjan; buiten het germ. latijn frui [genieten van], fructus [vrucht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gebruiken ww., mnl. ghebrûken (naast vooral noordnl. brûken) ‘gebruiken, genieten van, ondervinden, omgang hebben met, beschikking hebben over, zich bezig houden met’, brûken ook ‘pachten, in detail verkopen’, os. brūkan, mnd. brūken, gebrūken, ohd. brūhhan, gabrūhhan (nhd. brauchen), ofri. brūka, oe. brūcan, gebrūcan (ne. brook ‘verdragen’) ‘gebruiken, genieten van’, daarnaast got. brūkjan ‘gebruiken’. — Lat. fruor (< *frugu̯ōr), ‘genieten van’, frux ‘vrucht’, idg. wt. *bhrug ‘vrucht, genieten van’ (IEW 173). — Alleen italisch en germaans woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gebruiken ww., mnl. ghebrûken naast — vooral noordndl. — brûken “gebruiken, genieten van, ondervinden, omgang hebben met, beschikking hebben over, zich bezig houden met”, brûken ook “pachten, in ’t klein verkoopen”. = ohd. (ga)brûhhan “gebruiken, genieten van” (nhd. brauchen, gebrauchen), os. brûkan (mnd. ook gebrûken), ofri. brûka, ags. (ge)brûcan (sterk; eng. to brook “verdragen”) “id.”: got. brûkjan “gebruiken”. Verwant met lat. fruor (*frûgwor) “ik geniet”; misschien ook hierbij de volksnaam Brúgoi, Phrúges. De basis bhreug- : bheu(ŋ)g- (oi. bhunàkti “hij gebruikt, geniet, eet”) = bhreg- : bhe(ŋ)g- (zie bank).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruiken o.w., Mnl. bruken, Os. brûkan + Ohd. brûhhan (Nhd. brauchen), Ags brúcan (= genieten) (Eng. to brook = dulden), Ofri. brúka, Go. brûkjan + Lat. frui (*frugwi) = genieten (z. brood). Zw. bruka, De. bruge uit Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gebruke (ww.) gebruiken; Vreugmiddelnederlands gebruken <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gebruiken (gebruikte, heeft gebruikt), (ook:) 1. nuttigen (spijs, drank). Zo van de kolf eten als het koren* nog warm is, als lekkernij. Desgewenst met iets boter gebruiken (S&S 104). - 2. innemen (medicijn). Dit alles goed klutsen en gebruik 3 x daags een eetlepel hiervan (Sedoc 6, over een medicijn tegen astma). - 3. lusten. Oom Piet wil tracteren op een milk-shake bij Fernandes. Gebruik je die, Stanley? - Etym.: In AN komt bet. 1 wel voor, maar veel minder alg. dan in SN.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gebruiken (Duits gebrauchen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gebruiken ‘zich bedienen van’ -> Fries gebrûke ‘zich bedienen van’; Petjoh gebruiken ‘zich bedienen van, dragen (van kledingstuk)’; Negerhollands gebruk, gebryk, gebruikt ‘zich bedienen van’; Sranantongo gebroiki ‘zich bedienen van’; Surinaams-Javaans khebrèik, ngebrèik ‘zich bedienen van’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebruiken* zich bedienen van 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut