Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebruik - (het zich bedienen van iets)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

gebruuk zn. o.: gewoonte, gebruik; behoefte, wat men nodig heeft; kleine hoeve. Van Mnl. ww. gebruken ‘genieten, genot hebben van iets, ondervinden; de vrije beschikking hebben over iets, gebruik maken van, gebruiken’, afl. van Mnl. bruken ‘genieten, gebruiken; land in gebruik hebben’. Os. brûkan, Ohd. (ga)brûkan ‘genieten, gebruiken’, Mhd. brûchen ‘id.’, D. (ge)brauchen ‘id.’, Oe. brûcan ‘gebruiken, nodig hebben’, E. to brook ‘dulden’, Fri. brûke ‘gebruiken’, On. brúka, Zw. bruka ‘gebruiken, bebouwen’. Got. brûkjan ‘gebruiken, genieten’, Germ. *brûk- ‘gebruiken’. Verwant met Lat. frui ‘genieten’ en frûx, frûctus ‘vrucht’. De Zeeuwse bet. ‘hoeve’ steekt in ‘vruchtgebruik hebben van, land in gebruik hebben’ en ‘bebouwen’ (Zw.). Brauchen komt in het Duits in de bet. ‘nodig hebben’ sinds de 17de eeuw voor. Deze betekenis vinden we ook terug in Zeeuws gebruuk ‘behoefte’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bruikhuur s.nw.
Huur van iets, bv. 'n voertuig of produksiemiddel, sonder dat dit die eiendom van die huurder word.
Samestelling van bruik en huur, met bruik uit Ndl. bruik (1631) 'die gebruikmaking van iets', so genoem omdat daar huur betaal word om iets te gebruik.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal