Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebrek - (gemis, onvolkomenheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gebrek zn. ‘gemis, onvolkomenheid’
Mnl. ghebrec ‘gebrek, gemis’ [1254; CG I, 66], een swaer ghebreken ‘een ernstige onvolkomenheid’ [1350-1400; MNW gebreken], int heer was grote ghebreke ‘in het leger was groot gebrek (aan voorraden)’ [1465-85; MNW-R].
Behorend bij het Middelnederlandse werkwoord ghebreken ‘ontbreken’, gevormd uit → breken met het versterkende voorvoegsel → ge- (sub f). In het werkwoord heeft rekking van de oorspronkelijk korte klinker in open lettergreep plaatsgevonden; gebrek was echter daarvoor al afgeleid en behield de korte e, behalve in de open lettergreep van het meervoud gebreken en de verbogen vormen zoals in in gebreke (blijven).
Mhd. gebreche ‘gebrek’, bij mhd. gebrechen ‘ontbreken’, ook mnd. gebrechen ‘id.’; oe. gebrec ‘het breken, gekraak’.
gebrekkig bn. ‘met gebreken; invalide’. Nnl. ‘onvolkomen’ [1784-86; WNT]. Gevormd uit gebrek en het achtervoegsel → -ig. In het mnl. bestond ook al het woord gebrekich met de betekenis ‘in gebreke, nog schuldig, nalatig’ (MNW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gebrek* [gemis, kwaal] {gebrec, gebrecke [gemis, kwaal] 1254} van middelnederlands gebrecen [iets stuk breken, stuk gaan, schorten, in gebreke blijven], van ge- + breken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gebrek znw. o., mnl. ghebrec, waarnaast ohd. kipreh, oe. gebrec ‘het breken, gekraak’. Mnl. ghebreken kreeg evenals in het mnd., mhd., ofri. de bet. van ‘ontbreken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gebrek znw. o., mnl. ghebrec o. (niet in de oudere teksten; ’t synoniem ghebrēke reeds Limb. Serm.), met dezelfde maar nog ruimer bet.-sfeer als in het Nnl. Van mnl. ghebrēken, een alg.-wgerm. en got. ww., dat sedert de mnl.-mhd.-mnd.-ofri. periode “ontbreken” beteekent (vgl. barsten). Ohd. kiprëh, ags. gebrëc o. komen = “fragor” voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gebrek o., Mnl. id. + Mhd. gebreche; verbaalabstr. van Mnl. gebreken = ontbreken.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gebrek. Een van de betekenissen van gebrek is ‘lichamelijk ongemak, kwaal’. Wat iemand in geval van woede of andere frustratie bedoelt met de verwensing krijg het gebrek! laat zich gemakkelijk raden. De actuele betekenis is ‘rot op, ik moet je niet meer’. Vgl. Van Eijk (1995: 135). Van het WNT, deel iv, kolom 484, leer ik dat het gebrek de verouderde volksnaam is voor ‘vallende ziekte’ ofwel epilepsie.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebrek* gemis, kwaal 1265-1270 [VMNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

364. Bij gebrek van brood eet men korstjes van pasteien,

d.w.z. bij gemis van eene geringe zaak, waaraan men behoefte heeft, is men genoodzaakt iets van veel meer waarde in de plaats te gebruiken (Tuinman I, 101 en Ndl. Wdb. III, 1541; IV, 479; XII, 728); in schertsenden zin gebezigd.

De zegswijze dateert uit de 17de eeuw; zie Mergh, 7: By gebrek van brood etetmen korsten van pasteyen; Smetius, 217: In plaats van broot, behelpt men sich met korst van pastey; Lichte Wigger (anno 1617), bl. 18:

 L.W. End' alle de glaesen sijn an stick, waer drincken wy dan uit?
 Wa. K' en weet niet. D.I.: dat weet ick wel, dus uit de tuit.
By ghebreck van brood eetmen corsjes van pasteyen.
Laet ons met de riemen roeyen, die wy hebben.

Zie verder Hooft's Brieven IV, 63; Kluchtspel III, 284; Harreb. I, 94; Archief IV, 341 en vgl. Goedthals, 84: Cursten van pasteyen is goet broot, croustes de patez valent bien pain. In 't fri. by brek oan brea yt men wol ris bôle (wittebrood); fr. croûte de pâté vaut bien pain; faute de grives, on mange des merles; hd. hat die Kuh kein Heu, so isst sie Spreu; wenn men kein Brot hat soll man Kuchen essen; eng. if water cannot be had we must make shift with wine; mgri. εν καιρω αναγκης την λαμιαν μητερα καλει, noem in tijd van nood ook de heks moeder; in 't Russisch zegt men: Als men geen visch heeft, is ook de kreeft een vischZie Philologus LXXI, 554..

1738. De ouderdom komt met gebreken.

Deze waarheid vinden we in 17de eeuw opgeteekend bij De Brune, 253; 254, 456; 457, doch niet in dezen vorm. Wel in Brederoo's Moortje, 2590: Och de ouwerdom komt met alle gebreken; Coster, 495, 15: Den ouderdom komt met alle ghebreecken; Tuinman I, 316: De ouderdom komt met veel gebreken; Halma, 478: De ouderdom koomt met veele gebreken; Harreb. I, 209; lat. senectus ipsa morbus; gri. τογηρας εστιν αυτο νοσημα; hd. das Alter kommt nicht allein oder nicht ohne Gefährten; nd. kümt dat Older, kümt de Kolder.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut