Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebrand - (door branden verkregen)

Etymologische (standaard)werken

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gebrand

Meestal gebruikt men de zegswijze: ik ben er op gebrand in ontkennende zin. Ik ben er niet op gebrand wil zeggen: ik stel er geen prijs op, ik verlang er niet naar. Letterlijk is het dus: ik brand niet van verlangen. Het Gronings kent: een brander op iemand hebben voor: op iemand verliefd zijn.

Het merkwaardige in de uitdrukking is dat het verleden deelwoord: gebrand de betekenis heeft van het tegenwoordig deelwoord brandende. De invloed van de zegswijze: op iemand gesteld zijn, is hier duidelijk. Ook in: op iemand gebeten zijn heeft: gebeten de betekenis van bijtende.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

615. Gebrand zijn op iets,

op iets gesteld zijn, ‘groen’, ‘groot’ zijn op iets; eig. branden van begeerte om iets te verkrijgen; vgl. Nkr. V, 10 Juni p. 2: Als u zoo gebrand bent op de eeuwige verdoemenis, dan moet u dit zelf maar weten; Nkr. VII, 26 Juli p. 2: Al ben je niet bijster op mij gebrand; Het Volk, 21 Oct. 1913, p. 5, k. 4: Maar de heer M. is al te idealistisch als hij denkt dat de gemeentebesturen rondom Amsterdam zoo gebrand zullen zijn op arbeiderswoningbouw. In het oostfri.: hê brandd d'rup, dat hê dat krigd (Ten Doornk. Koolman I, 221 b); het Gron. een brander op iemand hebben, verliefd zijn op iemand (Molema, 55 b) en Köster Henke, 11: branderig, heet, belust. In het Bredaasch: op iets gestreden zijn, zeer op iets gesteld zijn; (een) strijd (vgl. aanvechting) op iets hebben (Spaan, 104; Tijdschr. 34, 69; Sewel, 767; Hoeufft, 193) naast zijn strijd hebben in iets, schik hebben in iets (Amstelodamum, Maart 1920, p. 24). Het verleden deelwoord heeft in deze uitdr. de beteekenis van een tegenw. deelw. (zie no. 609); vgl. bij Despars gevierd (= gevuurd, vurig) zijn op iets, op iets vlammen (De Bo, 371 a).

875. Heet zijn op iets,

d.w.z. verzot, verslingerd zijn op iets; eig. van verlangen branden naar iets (hd. brennen vor Verlangen; fr. brûler de), eene ziedende begeerte gevoelen naar iets, gebrand zijn op iets (zie no. 615), een brander hebben op iets of iemand (Molema, 55 b). Vgl. hiermede: op iets vlammen, - vlassen, -geilen. Bij Sewel, 324: Heet, happig, gretig; heet op iets zijn, to be eager at a thing; Halma, 210: Heet zijn op 't spel, être âpre au jeu, aimer le jeu avec passion; vgl. op iets gevierd liggen of zijn, begeerig naar iets zijn (De Bo, 371; Waasch Idiot. 795). In Antwerpen kent men ook heet staan op iets; fri. hjit op 't ien of oar wêze; fr. être ardent à; hd. hitzig hinter etw. her sein; eng. to be hot upon a. th.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal