Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebouw - (wat gebouwd is)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gebouw zn. ‘wat gebouwd is’
Mnl. Brachti den Gods sone tonser gebouwe ‘bracht gij (Maria) Gods zoon naar onze woonplaats (de aarde)’ [1315-35; MNW-R]; vnnl. een heerlic gebou ‘een prachtig bouwwerk’ [1596; WNT Supp. afrooien I], de heerlijcke moderne aerdighe ghebouwen ‘de mooie, moderne, fraaie gebouwen’ [1604; WNT versiering II], een costelijck ende magniffijck ghebouw ‘een duur en prachtig gebouw’ [1616; WNT Supp. auteur].
Afleiding van → bouwen met het voorvoegsel → ge- (sub d).
Mhd. gebiuwe (nhd. Gebäu en met achtervoegsel Gebäude ‘gebouw, stelsel’).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† gebouw znw. o. Sedert het Mnl. Mhd. Mnd., in de eerste twee diall. nog in de bet. ‘woonplaats’, die zich bij mnl. enz. bouwen ‘bewonen’ aansluit.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gebouw ‘bouwwerk’ -> Negerhollands gebow ‘bouwwerk’; Sranantongo gebouw ‘bouwwerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebouw* bouwwerk 1599 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut