Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geboren - (ter wereld gekomen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geboren bn. ‘ter wereld gekomen’
Onl. geboran ‘geboren’ [ca. 1100; Will.]; mnl. geboren ‘id.’ [1240; Bern.].
Verleden deelwoord van het sterke werkwoord mnl. gebaren ‘dragen, voortbrengen’, een vorm naast → baren.
Zo ook os./ohd. giboran als verl.deelw. van giberan (mhd. geborn van gebern, nhd. geboren van gebären); ofri. ebern van het werkwoord beran (nfri. bern(e), geboaren van bernje); oe. geboran van het werkwoord geberan (ne. born van bear); on. borenn van het werkwoord bera; got. baurans van het werkwoord bairan; < pgm. *buranaz, *burinaz van het werkwoord *beran-.
Geboren komt evenals de substantivering ervan, geborene ‘die geboren is’, veel voor als tweede lid van een samenstelling met (o.a.) blind-, eerst-, hoog-, pas-, weder-. De oudste vermelding van een samenstelling met geboren: onl. fremitborona bn. (verbogen vorm, wrsch. nominatief mv.) ‘vreemd-geboren: vreemd’ [10e eeuw; W.Ps.].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baren ww., reeds later-mnl. In het Mnl. is ghebaren de oudere vorm. Het mnl. ww. kwam vooral voor in devote literatuur en bijbelteksten. Dat wijst op geleerden oorsprong. Nog altijd is baren een deftig, in de volkstaal weinig gebruikelijk woord. Ghebaren is misschien ontleend uit mhd. gebërn (nhd. gebären, ohd. gibëran). De gerekte ë, die eerst ndl. ē resp. æ̂ is geweest, viel samen met den klinker van ghebêren, ghebæ̂ren, zooals het bij gebaar vermelde ghebâren “een houding aannemen, enz.” over een groot gebied luidde. Naar analogie der dial. wisselvormen ghebêren, ghebæ̂ren, ghebâren bij het ospr. ndl. woord kunnen zich dergel. vormen bij het ontleende hebben ontwikkeld, baren werd tenslotte de schrijftaalvorm. Deze verklaring is onzeker; maar een andere aannemelijke is niet gegeven (zie hieronder). Ohd. gibëran is een samenst. van bëran “dragen, voortbrengen” = os. bëran “dragen” (gi-bëran “voortbrengen”), ofri. -bëra “dragen, brengen” (in samenst.), ags. bëran “dragen, brengen, voortbrengen” (eng. to bear), on. bëra “id.”, got. baíran “dragen”. Overblijfsels hiervan in ’t Ndl. zijn geboren, het verl. deelw. van oud-ndl. *ʒi-bëran, en de samenstelling ontberen, mnl. ontbēren = ohd. inbëran (nhd. entbehren), mnd. entbēren, ofri. ontbëra (ontbara) “ontberen”, met opvallende bet. Gew. leidt men baren niet uit mhd. gebërn af, maar uit owfri. *bara met a uit e. Dat is onwaarsch., omdat: 1. noch in het Ofri. noch in het Nieuwfri. van *bëra, *bara “voortbrengen” anders dan het verl. deelw. voorkomt: geber(e)n, eber(e)n, boren, nieuwfri. berne, waarnaast het hollandisme geboaren “geboren”, 2. het mnl. nnl. (ghe)baren een geleerd en niet vooral holl. woord is, 3. de oudste vorm met ghe- is samengesteld. De verbaalstam bher- “dragen” is algemeen idg.: ier. berim, lat. fero, gr. phérō “ik draag”, phryg. abberei “hij droeg”, obg. berą, bĭrati “verzamelen, nemen”, alb. birni “jullie brengt”, arm. berem “ik draag, breng”, oi. bhárati, bhárti, bíbharti, bibhárti “hij draagt”. Vgl. baar I, baar II, baar VI, beuren, beurt, gebaar, gebeuren, oorbaar, openbaar, verbeuren, voorbarig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geboren bijv., eigenl. v.d. van beren (z. baren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gebore I: “geskape, geskep, in die lewe geroep”; Ndl. geboren (eint. verl. dw. van veroud. st. ww. geberen, “dra”) nog in afl. ontberen en in ss. voorbarig, verb. m. Ndl. baren, Afr. baar, Eng. bear, Lat. fero, Gr. pherō, “ek dra”.

gebore II [+]: in verbg.: gebore in staat/in gebore staat (ander variante by WAT), ook dial. boor/bore; geen verb. m. gebore I nie, maar na vb. daarvan volkset. v. ou wd. bore (soms m. en- vooraan: enbor(e) wu. Hd. empor), wat verst. te kenne gee, veral by ontk., waarmee dit dikw. gepaard gaan.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
geboren. - In het Nederlandsch zegt men tot of voor iets geboren zijn, d.i.: door zijn aanleg voor iets, nl. een vak, een werkkring, bestemd zijn; door zijn aard, karakter, neigingen of geestvermogens eene bijzondere geschiktheid vertoonen voor datgene, wat in de bepaling wordt genoemd. Zoo b.v. voor de studie, voor de politiek geboren zijn. Men kan echter niet zeggen aan iets geboren zijn, zooals op de onderstaande plaats, te minder daar er heel iets anders mede bedoeld wordt, en wel: beginnen te leven voor iets, deel beginnen te nemen aan iets. Die uitdrukking is de letterlijke vertaling van fr. naître à quelque chose. Zoo kon b.v. van Musset gezegd worden: “Français de race pure, Parisien d’origine, cet “enfant du siècle” qui naît à la vie littéraire aux environs de 1830, débute par le romantisme pur, hardi et tapageur (1)”. Maar het begrip, met de Fransche uitdrukking bedoeld, wordt door die letterlijke vertaling niet weergegeven. || Er bestaan ... dus, tusschen de proletariërs der steden en die van het platteland, diepe oorzaken van oneenigheid …. En deze vijandschap is het, welke eene nieuwe partij, die pas aan het politiek leven geboren werd, ... tot haar voordeel zal pogen uit te buiten: de Christelijke Volkspartij, BUYSSE in De Gids 1895, I. 2I4.

(1) CHANTAVOINE bij PETIT DE JULEVILLE, Histoire de la Langue et de la Littérature française, t, VII, p. 327.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geboren ‘ter wereld gebracht, reeds bij geboorte een eigenschap bezittend’ -> Fries geboarte ‘ter wereld gebracht’; Zweeds boren ‘van een vanzelfsprekend talent (gezegd van leider)’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands gebooren, gǝbōrǝn, gibō ‘ter wereld gebracht’; Sranantongo gebore ‘ter wereld gebracht’; Surinaams-Javaans khebore ‘ter wereld gebracht’ <via Sranantongo>.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

614. Ergens geboren en getogen zijn,

d.w.z. ergens ter wereld gebracht en opgevoed zijn; ergens jong geweest zijn (V.d. Water, 91; Molema, 530); eng. to be born and bred (Prick, 30). Getogen is het verl. deelw. van tien, trekken, in den zin van groot-brengen, opvoeden; vgl. het 17de-eeuwsche optrekken en het hd. erziehen. In Zuid-Nederland ievers gewonnen en geboren zijn (Antw. Idiot. 490; Joos, 52; Rutten, 74 a), dat ook bij ons bekend was, blijkens Halma, 185: Ergens gewonnen en geboren zijn, être né et engendré quelque part; zie Ndl. Wdb. IV, 2103; fri. hy is der berne en tein; Eckart, 265: getôgen un gebôren bremer Kind.

831. Die geboren is om te hangen, verdrinkt niet,

ook wel die voor de galg geboren is, zal niet verdrinken (of verzuipen), d.w.z. de booswicht ontgaat de hem toekomende straf niet, men ontloopt zijn lot niet. Volgens Harrebomée III, 25 komt dit spreekwoord in de 17de eeuw voor bij Gruterus II, 134; Mergh, 13; zie verder Tuinman I, 291; 318; 353; Volkskunde XI, 18; syn. die tot een' koekoek geboren is, zal de horens niet gemakkelijk ontgaan; die tot vier oorden (of een penning) geboren is, kan tot geen stuiver komen; die tot een stuivertje geboren is, wordt nooit een dubbeltje, vertaling van infortunatus ad tres obulos homo natus, nunquam nummorum dominus valet esse duorum (Werner, 42); die geboren is onder een duyt-planeet, en zal noyt meester van een oortjen worden (De Brune, Bank. 231). In het hd. wer am Galgen vertrocknen soll, ersäuft nicht im Wasser oder was zum Galgen geboren ist, ersäuft nicht; er ersäuft nicht, das Wasser ginge denn über den Galgen, dat kan worden vergeleken met laat-mnl.: hy en sal niet verdrencken, soe veer alst waeter over die galge niet en gaet (Campen, 95; Meijer, 44); nhd. wer zur Jacke geboren ist, der kommt zu keinem Rock; wer zu drei Hellern geboren ist, der kommt nicht auf zwei Pfennige; nd. was âm Galge sterve sall, wêd am Rhing (Rhein) niet versuffe oder sterv net em Bät (Eckart, 135); de to 'n knûst bakken is, word sin lêfen gin brôd; denn tu 'n Groschen üsz geboren, kömmt tu gennen Daler; denn tu 'n Fettmäntje geboren üsz, kann to genne Stüwer komme, enz. (Dirksen I, 75; De Cock1, 93); fr. ce qui est destiné au gibit ne se noie pas; eng. he that is born to be hanged shall (or will) never be drowned; hanging and wiving go by destiny. Zie Wander I, 1318.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal