Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geboorte - (het geboren worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geboorte zn. ‘het geboren worden’
Mnl. geborde ‘geboorte, het geboren worden’ en gebort ‘geboorte, nageslacht’ [beide 1240; Bern.], gheborte ‘geboorte’ [1257; CG I, 68].
Afleiding van → geboren. De Middelnederlandse vorm is gebo(o)rde (met rekking van de klinker voor r + dentaal). In die fase treedt suffixsubstitutie op: het achtervoegsel dat bij afleidingen van werkwoorden hoort (-de < pgm. *-di/þi-) wordt gezien als het achtervoegsel dat bij afleidingen van adjectieven hoort (-(e)de (later -te) < pgm. *-iþō/idō-), zoals dat voorkomt in → hoogte, → diepte.
Voorbeelden van andere woorden met dezelfde suffixsubstitutie zijn → begeerte, → beroerte en → schaamte.
Os. giburd ‘geboorte; lot’ (mnd. gebort), ohd. giburt (nhd. Geburt); ofri. berthe, berd (nfri. geboarte, in samenstellingen ook bert-), oe. gebyrd (ne. birth < on.); on. burðr, byrd (nzw. börd); got. gabaúrþs < pgm. *ga-bur-di- ‘geboorte’, afleiding met grammatische wisseling in het achtervoegsel (die in Gotisch gabaūrþs is teruggedraaid) bij het ww. pgm. *beran ‘dragen’, zie → baren.
Verwant met Latijn fors (genitief fortis) ‘lot’; Sanskrit bhrtís ‘het dragen, onderhoud’; Avestisch bərətis ‘het dragen’; Oudiers breth, brith (datief) ‘geboorte’; Armeens bard ‘stapel’; < pie. *bhr-ti- ‘het dragen’, afgeleid van pie. *bher- ‘dragen’ (IEW 128).
geboortig bn. ‘geboren (te, in)’. Mnl. gebordeg ‘van geboorte’ [1240; Bern.], vier gheborteghe poorteren ‘vier geboren (= niet later geworden) poorters’ [1460-80; MNW-P]; nnl. geboortig ‘van geboorte afkomstig uit’ in geboortig uit eenen edelen stam [1710; WNT], geboortig uit Parijs [1710; WNT]. Afleiding van geboorte met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geboorte* [het ter wereld komen] {gebort(e), geboorte 1201-1250} met achtervoegsel -te als in beroerte, vgl. oudsaksisch giburd, oudhoogduits giburt, oudfries berd, oudengels gebyrd (engels birth gaat niet hierop terug, maar is ontleend aan oudnoors byrð); de lange vocaal van geboorte is toe te schrijven aan de invloed van de r en van geboren, verl. deelw. van baren1, dat vroeger een sterk ww. was. Buiten het germ. latijn fors [toeval], oudiers brith [het baren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geboorte znw. v., mnl. gheboorte is een secundaire formatie van ghebort (klinker onder invloed van geboren), os. giburd, ohd. giburt, ofri. berd, oe. gebyrd (ne. birth), on. burðr, got. gabaurþs. — Grondvorm idg. *bhṛti beantwoordt aan oi. bhṛti ‘het dragen, onderhoud, verzorging’, lat. fors ‘toeval’, waarnaast *bhṛtā in oiers breth, brith ‘geboorte; vonnis’. — Zie: baren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geboorte znw., mnl. gheboorte v. Dit is vervormd uit mnl. ghebort(d) v. resp. ’t daaruit door suffixsubstitutie ontstane gheborde v., formantisch onder invloed van ’t suffix -te (zie bijv. beroerte), wat ’t vocalisme aangaat onder invloed van geboren. Mnl. ghebort v. = ohd. giburt (nhd. geburt), os. giburd, ofri. berd (waarnaast met suffix-substitutie berthe; ook berde, berth komen voor), ags. gebyrd (eng. birth), on. burðr, got. gabaúrþs v. “geboorte” (en verwante bett.). Formeel identisch met ier. brith “het dragen, baren”, lat. fors “toeval”, arm. bard “stapel”, oi. bhṛtí- “het dragen, onderhoud, verzorging”, < idg. *bher-tí- (*bhṛ-tí-), nomen actionis bij bher-”dragen”. Zie baren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geboorte. Ier. brith wordt als â-stam beschouwd en is dan niet volkomen identisch met mnl. (ghe)bort, ohd. (gi)-burt enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geboorte v., Mnl. id., vervormd uit gheboort, Os. giburd + Ohd. giburt (Mhd. en Nhd. geburt), Ags. gebyrd (Eng. birth), On. burđr, Go. gabaurþs + Skr. bhṛtiṣ = dracht. Lat. fors =toeval. Van denz. stam als ’t v.d. van beren (z. baren).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geboorte ‘het ter wereld komen’ -> Fries geboarte ‘het ter wereld komen; vrouwelijk geslachtsorgaan; penis’; Negerhollands geboort, geboorte ‘het ter wereld komen’; Sranantongo gebortu ‘het ter wereld komen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geboorte* het ter wereld komen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut