Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geboomte - (bomen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geboomte zn. ‘bomen’
Mnl. datter gheboemte up staet ‘dat er bomen op staan’ [1285; CG II, Rijmb.], hi quam op enen dach tenen bossche, diemen te hetene plach Dat Geboemte in dat lant ‘hij kwam op een dag bij een bos dat men in dat land Het Geboomte placht te noemen’ [1300-50; MNW-R].
Collectiefafleiding van → boom met → ge-te.
Mnd. gebomte ‘geboomte’.
Naast Middelnederlands geboomte bestond ook de afleiding boomte zonder ge-: alre boomten, alre boemten ‘van alle bomen’ [1469; MNW-P].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geboomte znw. o., mnl. gheboomte, mnd. gebōmte. Daarnaast staat ohd. giboumi, beide collectieven van boom.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geboomte znw. o., mnl. gheboomte o. = mnd. gebômte o. “geboomte”. Geboomte : ohd. giboumi o. = gebeente : ohd. gibeini.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geboomte* groep bomen 1285 [VMNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut