Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebed - (het bidden; het gebedsformulier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gebed zn. ‘het bidden; het gebedsformulier’
Onl. gehori gebet min ‘verhoor mijn gebed’ [10e eeuw; W.Ps.], des reinen gebedes ‘van het reine gebed’ [ca. 1100; Will.]; mnl. een gebet begonste lise te gode ‘rustig een gebed begon tot God’ [1265-70; CG II, Lut.K], gebet ‘vastliggende gebedstekst’ [1290-1310; MNW-R].
Gevormd van de wortel van → bidden met het voorvoegsel → ge- (sub b).
Os. gibed, ohd. gibet (nhd. Gebet); oe. gebed, alle ‘gebed (tot God)’; < pgm. *ga-beda- ‘het verzoek, het bidden’ (niet in het Oost-Germaans of Noord-Germaans). In het christelijk spraakgebruik is het ‘bede tot God’ gaan betekenen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gebed* [het bidden] {oudnederlands, middelnederlands gebet 901-1000} oudsaksisch gibed, oudhoogduits gibet, oudengels gebed; afgeleid van bidden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gebed znw. o., mnl. ghebet, onfrank. gebet, os. gebed, ohd. gibet, oe. gebed is gevormd van bidden.

Het me. bede ‘gebeden’ betekent ook ‘kraal van de rozenkrans’, vandaar ne. bead.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gebed znw. o., mnl ghebet o. (naast ghebēde v. o.) = onfr. gebët(d), ohd. gibët (nhd. gebet), os. gibëd, ags. gebëd o., in al deze talen = “gebed (tot God)”. Bij bidden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gebed o., Mnl. ghebet, Os. gibed + Ohd. gibet (Mhd. en Nhd. gebet), Ags. gebed, van denz. stam als ’t v.d. van bidden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gebed ‘het bidden’ -> Ambons-Maleis gebèt ‘Bijbellezing, in de regel op vrijdag door de meester op school gehouden’; Javaans † gebèt ‘het bidden (christelijk)’; Kupang-Maleis gebèd ‘het bidden’; Menadonees gebèd ‘het bidden’; Ternataans-Maleis gebèd ‘het bidden’; Negerhollands gebed, gobėt, gobėd ‘het bidden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebed* het bidden 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut