Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebbetje - (grapje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gebbetje zn. (NN) ‘grapje’
Nnl. gebbetje ‘spot, grap?’ [1889; MNW gabben], gebbetjes, gekheden, grappen, dwaasheden [1895; WNT guich].
Afleiding van het mnl. werkwoord gabben ‘gekheid maken’ [1450-1500; MNW], dat nog is overgeleverd in het verouderde/gewestelijke frequentatief gabberen ‘babbelen, wauwelen, spottend lachen’ [1599; Kil.] en in de samenstelling → ginnegappen. Verdere herkomst onbekend. Gebbetje wordt vooral gebruikt in de Hollandse spreektaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gebbetje* [grapje] {1898} van gabben (vgl. gabberen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gebbe 2 znw. v. (dieventaal) ‘ironie’, daarnaast in de volkstaal gebbetje ‘grapje, gekheid’. In de laatste bet. te verbinden met het onder gabberen behandelde mnl. gabben ‘gekheid maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebbetje* grapje 1897 [Aanv WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

608. Gebbetjes maken,

d.w.z. grapjes maken, dwaasheid uithalen. Gebbetje is het verkleinwoord van gebbe (= hebr. chibba, liefde), dus liefheidjes, aardigheidjes; vgl. Van Dale: gebbetje, grapje, gekheid, dwaas gebaar: gebbetjes maken; Köster Henke, 19: gebbetje, grapje, lolletje; Jord. 179: Thijs wou niet verder..... Zal wel weer een gebbetje zijn; Leersch. 123: Onder ernstige vermaning geen gebbetjes te maken; Jord. II. 20; 41; 179; 250; Nkr. II, 5 April p. 5: Mr. Th. Heemskerk Jzn., minister van binnenlandsche zaken, overmits premier in 't gebbetjes maken; Zondagsblad van Het Volk, 1906 p. 13: Je begrijpt de kranten die dol op een gebbetje zijn, schrijven er over; Het Volk, 23 Mei 1914, p. 2 k. 4: Op den Dam was wat ‘an de hand’. De Amsterdammers zouden geen Amsterdammers meer moeten zijn als tenminste een deel hunner niet naar 't ‘gebbetje’ was komen kijken; Nw. Amsterdammer, 9 Jan. 1915, p. 3 k. 1. Syn. is gijntjes (geintjes) maken (hebr. ch&U0113;en, gratia, liefelijkheid, aardigheid), dat o.a. wordt aangetroffen bij Köster Henke, 20: gein, pret, plezier. Ik had mijn grootste gein in dien ouwe. Geintjes, grappen, lolletjes; voor de gijn (in Amsterdammer, 15 April 1922, p. 2 k. 5); Kalv. II, 119: De clown die elken dag nieuwe gijntjes had; II, 119: Het verhaal van zijn gijritjes of streekjes werd met een stroef gelaat aangehoord; II, 170: Hij zou wel een gijntje vinden, waardoor ze in de lach schoot; Lev. B.: Thoe.... maak nou geen ghijntjes; Het Volk, 24 Oct. 1913, p. 5 k. 4: Anders had hij onze gezichten kunnen zien, die bepaald paarsch moeten zijn geweest van ingehouden ‘gijn’. Nkr. IX, 29 Mei p. 6; Reens, Ghetto-Ghijntjes (titel); Handelsblad, 5 Aug. 1914 (avondbl. p. 6 k. 5); O.K. 167; Menschenw. 14; Groot-Nederland, Oct. 1914, p. 392: gebbegijntjes verkoopen; A. Jodenh. 2, 29, 31, 40, enz. enz.; Nkr. IX, 10 Juli p 7; VIII, 15 Febr. p. 7: II, 12 April, p. 4; Amstelv. 104; Persl. 161; V.v.d.D. 45; Het Volk, 4 April 1914, p. 5 k. 1; vgl. de samenstellingen geinponem, leukerd (in Nw. Amsterdammer, 26 Dec. 1914, p. 11 k. 1: Het fort, waar hij al gauw de ‘geinponem’ van de jongens was); geinbroer (in Handelsblad, 16 Sept. 1914 (avondbl. p. 5 k. 2); pestgijntje (in Nkr. VIII, 5 Dec. p. 2); geinschlokker (grappenmaker); zijn gein op iemand zetten, hebben of gooien, iemand genegen zijn; het heeft gein, het is leukVoorzanger en Polak, bl. 138.; gijnstuk (in Handelsblad, 2 Dec. 1914 (avondbl.), p. 9 k. 1); een adj. gijnig en een ww. gijnen (in Zoek. bl. 124; 143; 228). Vroeger was in dezen zin ook gebruikelijk gelletje of jel(letje) (zie Ndl. Wdb. IV, 1225; VII, 247).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut