Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebaren - (gebaren maken)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

baren ww. ‘schreeuwen’
Oudnederlands baroda ‘openbaarde’, rebaredos ‘jij hebt blootgelegd’ (*ir-bar-) (Wachtendonckse Psalmen, 10e eeuw), Vroegmiddelnederlands baren ‘tevoorschijn brengen, bekendmaken’ (1276–1300), ‘zich vertonen’ (1265–1270), ‘tekeergaan’ (1287); daarnaast verbaren ‘tonen, verschijnen’ (1285). Ook na 1300 betekent baren meestal ‘verschijnen’ of ‘tonen’, en slechts af en toe ‘zich aanstellen, tekeergaan’. In het Vroegnieuwnederlands komt baren, baeren (1530) frequent voor als ‘tonen, zich vertonen’; na 1700 verdwijnt deze betekenis. Baren ‘razen, schreeuwen, brullen, loeien’(1599) komt tot ca. 1800 in literaire bronnen voor, daarna is het alleen een dialectwoord (bijv. Noordhollands beren ‘schreeuwen’).
Verwanten: Middelnederduits baren ‘tonen, aanklagen’, Oudhoogduits barōn ‘onthullen’, Oudfries baria, Oudwestfries bēria ‘bekendmaken, klagen’. Samen stammen ze af van een denominatief werkwoord *barōjan, een Westgermaanse afleiding van het bn. *bara- ‘bloot’ (zie Ned. baar ‘bloot’), dat ook in openbaar zit. De oorspronkelijke betekenis van dit baren was dus ‘blootleggen’.
gebaren ww. ‘gebaren maken’
Vmnl. geberen (1265–1270) naast ghebaren (1285) ‘zich gedragen; tekeergaan’. In de dertiende eeuw vinden we systematisch geberen in Brabant, Limburg en aan de Nederrijn, tegenover gebaren in Vlaanderen. Dat klinkerverschil wijst op een Westgermaanse klinker *ǣ met i-umlaut, die in het Oostnederlands ee of ieë werd maar in het Westnederlands, zonder umlaut, aa opleverde (zoals bijv. in schaar en haring). De betekenis ‘tekeergaan’ heeft zich via ‘aanstellen’ uit ‘gebaren maken, zich gedragen’ ontwikkeld. Zowel ‘zich vertonen’ als ‘tekeergaan’ blijven in het Mnl. naast elkaar bestaan. Nnl. ghebaren ‘heftige gebaren maken’ (1528), ‘veinzen’ (1653). Zie het lemma gebaren in EWN voor verdere details, zoals dat de huidige betekenis ‘gebaren maken’ recent is, en wschl. onder invloed van het zn. gebaar is ontstaan.
Verwanten: Oudsaksisch gibārian, Mnd. gebēren, Oudhoogduits gibāren, gibārōn, Mhd. gebæren, gebāren (Nhd. gebaren), Oudengels gebǣran ‘zich gedragen’.
Daarnaast het zn. gebaar zn. ‘geste’, dat al in het Oudnederlands geattesteerd is. Zie het EWN s.v. gebaar voor de details. Bij gebaar bestaat in het Vroegmiddelnederlands dezelfde klinkerverdeling als bij ‘gebaren’, nl. tussen westelijk ghebare en oostelijk gebere. Het zn. gaat terug op PGm. *ga-bǣr-ja-, met als verwanten onder andere OS gibāri, Mnd. gebere, Ohd. gibāri ‘zich gedragend’, OFri. ibēr m. (*ga-bǣr-) en bēre v. ‘uiterlijk vertoon, gebaren’.
Een andere afleiding is Mnl. ghebaerde (1315–1330), gheberte (Limburg), Nnl. gebaarde (tot ca. 1900, literair) die overeenkomt met OS gibāritha ‘manier van doen, uiterlijk’, Mnd. geberde, Ohd. gibārida ‘gedrag’, Mhd. gebærde, Nhd. Gebärde ‘gebaar, manier van doen’. Met een andere voorvoegsel: misbaar, dat vanwege Mnd. misberen eerder *bǣrja- bevat dan *bara-.
De recentste etymologische woordenboeken claimen dat gebaar werd afgeleid van het ww. gebaren ‘zich gedragen’. Dat lijkt me minder waarschijnlijk dan het omgekeerde, omdat de ablautvariant *bǣr- in het Germaans vooral in nominale formaties thuis is (zoals in het suffix Ned. -baar uit *bǣri-). Bovendien is het prefix ga- in *ga-bǣr-ja- ‘gedrag’ verklaarbaar als collectiefprefix, terwijl het in *ga-bǣr-jan- ‘zich gedragen, tekeergaan’ niet de perfectieve betekenis vertoont die ga- in werkwoorden meestal heeft. Dit *bǣr-ja- is uiteindelijk afgeleid van de zeer productieve Germaanse wortel *ber- ‘dragen’, waaruit o.a. Ned. ontberen en baren ‘voortbrengen’ (ouder beren) voortkomen.
Nnl. baren ‘tekeergaan’ en gebaren ‘tekeergaan’ zijn in oorsprong dus twee geheel verschillende woorden. Pas door de samenval van gerekte korte *a met de oude lange *ǣ, die zich na 1200 in een deel van het Nederlands voltrok, zijn de woorden homoniem geworden.
[Gepubliceerd op 20-08-2015 op Neerlandistiek.nl]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gebaren ww. ‘gebaren maken’; (BN) ‘veinzen’
Mnl. van buten ghebaren ‘zich uiterlijk gedragen’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘sie geberen als ocht si waren haere vriende’ ‘zij deden alsof zij haar vrienden waren’ [1276-1300; CG II, Lut.A], ghebaren ‘misbaar maken’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. ons ghebaeren ‘ons gedragen’ [1530; WNT pronken I], ghebaren ‘optreden, tekeergaan’ [1568; WNT vervaren I]; nnl. gebaert dat gy het niet en hoort ‘doe alsof je het niet hoort’ [1725; WNT], gebaren ‘gebaren maken’ in z'n sarrend-leuk gezicht plooiloos-rustig, gebaarde hij komiekerig [1905; WNT komiek].
Afleiding van mnl. baren, beren ‘dragen, zich gedragen, vertonen’, zie → baren, met het versterkend voorvoegsel → ge- (sub f). Onder invloed van → gebaar ‘geste’ kan de betekenis zich beperkt hebben tot de huidige.
Os. gibārian, ohd. gibāren, gibārōn, mhd. gebæren, gebāren (hd. gebaren), oe. geb'æran ‘zich gedragen’.
De betekenis ‘tekeergaan, misbaar maken’ is verouderd. De betekenis ‘gebaren maken, gesticuleren’ is recent; de woordenboeken geven voor ca. 1950 uitsluitend de betekenis ‘veinzen, zich houden’, die is ontstaan uit de betekenis ‘zich gedragen, zich uiterlijk voordoen’, wat vaak het tegenovergestelde was van wat men innerlijk dacht. In het BN bestaat deze betekenis nog, in enkele vaste uitdrukkingen als van niets gebaren ‘doen of zijn neus bloedt, niets laten blijken’ [1981; De Clerck].
De ontwikkeling van baren/gebaren/gebaar is te vergelijken met die van → dragen / → gedragen 2 / → gedrag.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gebaren o.w., Mnl. id., Os. gibârian + Ohd. gibâron (Nhd. gebahren), Ags. gebæ'ran, zooveel als zich gedragen: een afleid, van beren (z. baren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gebiere (ww.) reageren; < Aokens jebieren.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

gebieëre, gebaere, gebaren doen alsof, laten blijken (Zuidoost-Nederland). = hgd. gebähren. ‘id.’, ouder nl. gebaren ‘id.’. Afleiding bij mnl. baren ‘zich vertonen’ (afl. bij baar ‘bloot’).
WNT IV 381-382, TT VI 116, Schols/Linssen 169.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

begaren (B, D, K, P, R), ww.: gebaren. Metathesis van gebaren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal